Bezuinigen versus stimuleren, deel II

Je kunt er op wachten, deel twee van het economendebat. De Europese economie trekt het huidige half jaar volgens de meeste voorspellingen aan. De purchasing managers index (PMI), die doorgaans een goede voorspeller is, staat voor de industrielanden gemiddeld op 53. Een waarde van boven de 50 betekent expansie. Europa doet daar aan mee, hoewel dat in Nederland nog niet erg te merken is. Het Internationaal Monetaire Fonds sprak een half jaar geleden nog van een wereldeconomie „op drie snelheden”: de opkomende markten deden het uitstekend, de Verenigde Staten hielden zich redelijk goed en Europa sukkelde achteraan.

Die visie lijkt nu al weer hopeloos verouderd – dat krijg je ervan als alle analyses een snappy titel moeten krijgen. Voor je het weet wring je de inhoud te veel in wat de kop belooft. Na een penibele zomer, waarin het westerse kapitaal veel opkomende markten even snel dreigde te verlaten als dat het was gearriveerd, is de analyse nu heel anders. Economen van de beleggingsreus Schroders wijzen er op dat waar de PMI van het Westen nu positief is, die van de opkomende markten onder de 50 is gedoken.

Het is een kwestie van tijd voordat de zittende regeringen in de verschillende eurolanden zich de voorzichtige opleving toeëigenen. Zie je wel? Bezuinigen deed pijn, maar de weg omhoog is ingeslagen. Het kamp van de ‘Austerianen’ krijgt daarmee de wind in de rug. Maar daarmee is de discussie nog lang niet over. De Keynesianen, die lang hebben gepleit tegen het bezuinigingsbeleid om zo de economie lucht te geven, waarna het herstel de overheidsfinanciën vanzelf weer op orde brengt, geven zich nog lang niet gewonnen.

Dat de economie weer groeit is nogal voor de hand liggend. Op de bodem van een put kun je alleen maar omhoog. En het zal een lange tijd duren voor de recordwerkloosheid in Europa tot een aanvaardbaar niveau daalt – een werkloosheid die goeddeels vermeden had kunnen worden.

Hoe venijnig de toon nog steeds is, merkte Nederland deze zomer nog. De hogepriester van de ‘Keynesianen’, de Amerikaanse Nobelprijswinnaar en columnist van The New York Times, Paul Krugman, trok een vergelijking tussen Nederland en België. Die haalde de voorpagina’s in beide landen. De boodschap: kijk eens hoe goed België, dat veel minder bezuinigt, het doet ten opzichte van Nederland, dat nu al jaren in de begroting hakt. Krugman liet daarbij een belangrijke factor weg: de huizenmarkt. Die is in België aan een – potentieel gevaarlijke – opmars bezig, terwijl hij in Nederland juist volledig is ingezakt.

Opmerkelijk genoeg zijn er ook landen waar de discussie andersom wordt gevoerd. De Britse premier Cameron, al beschuldigd van het kapotbezuinigen van de economie, verheugt zich in een opleving van de groei. Daar zijn het juist de antibezuinigers die er op wijzen dat de woningmarkt de economie rugwind geeft.

Maar goed, Krugman moet natuurlijk ook wel geweten hebben dat hij dit allesoverschreeuwende argument handig achterwege liet. Maar daar ging het niet om. Zijn analyse was waarschijnlijk helemaal niet op ons gericht, maar op de Amerikaanse thuismarkt voor zijn ideeën. Hij had het ook over Estland en Letland kunnen hebben, en wie heeft daarvan de woningmarkten paraat? Het wijst er op dat Krugmans school nu in het defensief is. Niet dat hij ongelijk heeft, maar de bewijslast wordt ingewikkelder. Het gaat hier nu in wezen om het berekenen van wat we er bij zijn ingeschoten, omdat het verkeerde beleid zou zijn gevoerd. Dat wordt een ingewikkelde exercitie, maar is zij onmogelijk? Zeker niet. De economische wetenschap heeft de afgelopen jaren laten zien hoe creatief zij kan zijn als het gaat om het bewijzen van het eigen gelijk.

Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze column over economische ontwikkelingen.