Anderhalf uur in de week. Dat is het wel

Gemeenten krijgen de komende jaren minder geld voor huishoudelijke hulp Dat merken de ouderen Zo ook mevrouw Verroen (93): zonder de hulp van haar dochter (73) is ze nergens

Mevrouw Verroen staat hier niet op de foto. Dit is een thuishulp bij het echtpaar Hulsegge in Eefde (Gelderland). Foto Eric Brinkhorst

Verslaggever

Ze oogt breekbaar. Mevrouw Verroen rijdt met haar rollator door haar huis naar de voordeur om open te doen. Het is haar Mercedes, zegt ze. Met haar Mercedes kan ze nog best uit de voeten. Hij staat altijd voor haar klaar.

Kwetsbaar, maar kraakhelder. 93 jaar. Als haar benen het nog net zo goed zouden doen als haar hoofd, ze tikt met haar wijsvinger tegen haar schedel, dan was er niks aan de hand.

Maar het lichaam werkt niet meer als dertig jaar geleden. Mevrouw Verroen krijg ’s morgens een half uur hulp bij het wassen en aantrekken van haar steunkousen en ’s avonds een kwartier hulp bij het klaarmaken voor de nacht. Beide keren komt een medewerkster van Thuis in Zorg, een kleine thuiszorgorganisatie in Rotterdam.

Hulp kijkt naar de klok

Ze laat een A-viertje zien. Daar staat het allemaal op. Julie, Alice, Christine, Lies. Allemaal met tijdsaanduiding bij een dag in de week. „Het zijn lieve meiden”, zegt ze. „Maar het is allemaal klokkijken hè. Ze moeten wel, anders zijn ze te laat bij de volgende cliënt.”

Stofzuigen, de douche en wc schoonmaken, ramen zemen en keukenvloer dweilen, daar komt weer een ander meisje voor. Dat is een meisje van thuiszorginstelling Aafje. Die won de aanbesteding voor huishoudelijke hulp in de Rotterdamse wijk waar mevrouw Verroen woont. Daar heeft ze zelf niets over te zeggen.

De tijd dat dat meisje komt werken, wordt steeds korter. Ook daar heeft ze niks over te zeggen. Eerst kwam ze drie uur per week. Toen werd dat twee uur per week. Toen ging er nog een kwartiertje af. En toen ging er weer een kwartiertje af. Anderhalf uur is te kort, zegt mevrouw Verroen. „Vandaag heeft ze twee ramen gezeemd. Ik heb vijf ramen aan de voorkant, maar ik zeg, doe er maar twee. Dan komen de andere ramen de volgende keer.” Het meisje werkt goed, ze heeft geen klachten.

Dus een wijkverpleegster die even langskomt in de ochtend en de avond en anderhalf uur in de week hulp in de huishouding. Wie doet de rest? De rest doet „haar meissie”. Dat is haar dochter van 73 die ook de zorg heeft voor haar man van 79 die regelmatig naar het ziekenhuis moet. „Je moet wel, hè”, zegt de dochter Nel Kuyf aan de telefoon. „Er is anders echt niemand die het doet.”

Op het aanrecht staat versgeperste sinaasappelsap in een kan en bessensap. In een pannetje schoongemaakte boontjes. Een stukje vlees ligt op een schoteltje op het aanrecht onder een cellofaantje. Geschilde aardappeltjes in een pannetje. Wie heeft dat allemaal klaargemaakt? „Mijn dochter. Mijn meissie.”

Boodschappen doet haar dochter ook, ze begeleidt haar naar het ziekenhuis. Haar dochter doet haar was. „Ik hoef niet zuinig te doen. ‘Kijk niet op een stukkie goed, hè ma’, zegt ze dan.” Elke week wast ze haar haar, ze wast ook de vitrages en de overgordijnen. Haar dochter doet vrijwel alles.

Ze zou graag wat meer huishoudelijke hulp willen. Bovenop de kast komt ze nooit. De keukenkastjes eens uitsoppen? Daar is geen tijd voor. En de beeldjes afstoffen, ze wijst naar een kast vol porseleinen beeldjes – „echte Hummels”, zegt ze trots – dat moet haar dochter doen.

Man overleden

Haar dochter doet al veel. Elke dag eten brengen, het vlees vaak al gebraden. „Alleen de aardappels kook ik zelf.” Dan eet ik hier. Ze klopt op het Perzisch tafelkleed. „Ik dek de tafel elke avond voor mezelf.” Ze heeft twee kleindochters, maar die hebben jonge kinderen en werken beiden.

Haar man is een paar maanden geleden overleden. „Ik mis hem toch zo.” 73 jaar waren ze getrouwd. De laatste anderhalf jaar woonde hij in een verpleegtehuis. In die tijd ging haar dochter naar haar en dan door naar haar vader in het tehuis. Dan maakte mevrouw Verroen op zaterdag een rijstepap met boter, kaneel en suiker. Dat nam haar dochter dan mee voor hem in een krant. „Dat vond hij dan lekker”, zegt mevrouw Verroen en ze lacht vertederd. „Hij at het schaaltje er bijna bij op.”

Mevrouw Verroen wil absoluut niet naar een verzorgingshuis. „Dan heb je echt niets meer over jezelf te zeggen.”