Advies: geld voor school toch baseren op etniciteit

De overheid moet etniciteit weer een rol laten spelen bij de verdeling van geld voor achterstandsleerlingen. Dat schrijft de Onderwijsraad, de belangrijkste adviseur van kabinet en parlement over onderwijs, vandaag in een rapport.

Scholen met veel achterstandsleerlingen krijgen extra bekostiging. Ook gemeenten houden rekening met deze leerlingen bij de subsidiëring van voor- en vroegschoolse opvang, net als de onderwijsinspectie bij de beoordeling van Cito-scores.

Tot 2006 bepaalden de opleiding van ouders én de etniciteit of een kind een ‘achterstandsleerling’ is. Onderwijsminister Van der Hoeven (CDA) schrapte dit laatste criterium.

Destijds verwachtte men dat bij de derde generatie allochtonen geen extra leerachterstanden meer zouden zijn, zegt Onderwijsraad-voorzitter Geert ten Dam. „Wij concluderen nu dat die er nog wel zijn.”

Scholen met veel allochtone leerlingen hebben meer kans om door de onderwijsinspectie als zwak te worden beoordeeld.

Volgens de raad zijn de regelingen ook te complex geworden. Sinds 2009 wordt bij de schoolbekostiging ook gekeken naar het gemiddelde inkomen in de wijk waar de school staat. Bij de gemeentelijke subsidie en de controle door de inspectie wordt daar juist géén rekening mee gehouden. „Omslachtig en omstandig”, zegt Ten Dam. Bovendien zegt de wijk waarin de school staat volgens de Onderwijsraad niet altijd alles over de leerlingen die erop zitten.

De complexiteit leidt ook tot fouten. 95 procent van de scholen die extra achterstandsgeld krijgen maakt fouten bij de berekening, aldus de raad. De onderwijsinspectie concludeert hieruit dat in schooljaar 2010-2011 ongeveer 50 miljoen euro aan rijksbijdragen onterecht is toegekend.