Column

Vergeten

Een half jaar na het overlijden van mijn vader begon mijn moeder met het opruimen van zijn spullen. Het was een proces van één stap vooruit en twee stappen terug. Spullen die zeer beslist in dozen waren gestopt, moesten er halsoverkop weer uit. Maar in welke doos zat dat bijzondere scheerapparaat?

De boekenkast in zijn studeerkamer werd aan mij overgelaten. Dat ging een stuk sneller, het betrof een verzameling boeken waar zelfs op Bol.com geen belangstelling voor was. Bij het uitruimen stuitte ik op een fotoalbum van mijn vader als dienstplichtig militair. Hij was ingedeeld bij de 7 december-divisie die tijdens de politionele acties naar Indonesië werd gestuurd om orde en rust te herstellen, althans: zo noemden ze het toen.

Hij had er nooit over willen spreken. We vroegen er ook niet naar. Voor ons was er maar één oorlog, de Tweede Wereldoorlog, en de rest werd als ‘niet interessant’ terzijde geschoven. Niettemin was ik op alles voorbereid, voor je het wist vond je in zo’n album een foto met lijken in een sloot.

Niets van dat alles. Ik werd meegezogen in wereld van een magere negentienjarige jongen in een te groot uniform. ‘Zo de Nederlandse vlag wappert weer’, schreef hij onder een foto van een verzameling rieten huisjes. Ik zag hem wijdbeens op een kanon zitten en samen met wat anderen springen in ondergoed op een grasveld.

‘Sport staalt spieren.’

Wat ze precies in Indonesië deden weet ik niet, er werd vooral veel geposeerd. Mijn vader bij een bananenboom: ‘Bananen blijken pisangs te heten en kokosnoten klappers.’

Andere notities bij foto’s:

‘Het wordt weer sukkelen. De ene auto na de andere moet in reparatie.’

‘Niks is zo lekker om na een flinke mars een fris bad te nemen.’

‘Kerstmis in de rimboe.’

‘Eddy Cazoni en het zonnestraalcabaret.’

‘Op de zwarte markt is alles te koop. Het is verleidelijk om iets van textiel in te slaan.’

Zaterdag was de jaarlijkse herdenking in Roermond waar een monument staat voor de 6.200 in Indonesië gesneuvelde Nederlandse militairen. Ik trof een veld vol grijze mannen van ongeveer dezelfde leeftijd als mijn vader, bijna allemaal waren ze verontwaardigd over het gebrek aan belangstelling.

„Waar is de koning?”, vroeg een van hen. En: „Waarom komen wij niet op het journaal?”

Dat ze vanuit Den Haag een staatssecretaris (Fred Teeven) hadden gestuurd, hielp ook niet. „Eens in de zoveel jaar krijgen we allemaal een medaille, die liggen in een bakje tussen de paperclips.”

Wie er wel was, was Jos van Rey. Als er iets te doen is, reserveren ze in Roermond uit een soort automatisme nog steeds een mooi plekje voor de van omkoping verdachte ex-wethouder. Die stond in het najaarszonnetje heel erg aanwezig te zijn in een glimmend blauw pak en te herdenken dat het een lieve lust was. Door iedereen vergeten zijn, behalve door Jos van Rey, dat is dubbel erg.