Troost me Gustave!

Als Rutger Lemm de brieven van de schrijver Flaubert (1821-1880) leest, gaat zijn hart sneller kloppen. Die eerlijkheid, die dubbelzinnigheid – alles zo herkenbaar!

Foto Hollandse Hoogte

Toen ik een paar maanden geleden lid werd van de leessite goodreads.com, had ik niet door dat mijn profiel met Facebook verbonden was, waardoor alle literaire informatie die ik daar invulde, ook direct in de news feed van mijn vrienden terechtkwam. Het stond toch wat protserig: „Rutger leest Haat is een deugd van Gustave Flaubert.” Eigenlijk was ik het boek helemaal niet aan het lezen, maar lag het al jaren op mijn nachtkastje, nadat een kennis het op een dronken avond tegen mijn borst had gedrukt met de woorden: „Leen… Dit.” Ik staarde naar de onvrijwillige Facebook-mededeling. Maar al snel was daar de eerste like, van een oudere, belezen kennis. Even later tikte hij netjes op mijn wall: „Dat is grandioos, dat je dat leest! Die brieven blijven je je hele leven bij. Niet alleen vanwege de stijl, maar ook vanwege de levenshouding die eruit spreekt.” Het stimuleerde me er in te beginnen en hij had natuurlijk gelijk; de fascinerende correspondentie van Flaubert (1821-1880) maakt je een beter mens.

Tijdloze gevoelens

Wij kennen Gustave Flaubert vooral als de grote schrijver van Madame Bovary (1856), een boek dat we op de middelbare school hebben gelezen. In zijn romans hanteerde Flaubert een feilloze, bijna klinische stijl – hij werkte soms dagen aan een alinea, op zoek naar le mot juste (het juiste woord). Maar in zijn brieven zien we een imperfecte man die overloopt van passie, cynisme en twijfel, een depressieve neuroot die de wereld haat. Dit zijn tijdloze gevoelens, en de brieven zijn ook nu nog troostend voor mensen (kunstenaars en andere romantische idioten) die met dezelfde gevoelens kampen. We leven in een wereld waarin iedereen perfect gelukkig lijkt, maar waarschijnlijk tonen we in brieven (e-mails) onze ware aard. Zeker als je zelf probeert te schrijven, kun je je soms heel eenzaam voelen in je strijd. Met de brieven van Flaubert voel je je minder alleen.

Flaubert begint op vroege leeftijd met het schrijven van brieven. De stijl is echter al zo volwassen en vol zelfvertrouwen dat je vergeet dat een jongen van veertien aan het woord is : „De volksvertegenwoordigers zijn niet meer dan een weerzinwekkend stel verraders, hun filosofie heet eigenbelang, hun voorkeur laaghartigheid, hun eergevoel is niets dan stompzinnige trots, hun ziel slechts een hoop modder.” Hij is een echte romanticus, die hunkert naar de tijd van Homerus en Shakespeare, en die de Kunst boven alles stelt: „Voor de ware kunstenaar is de wereld slechts een klavecimbel. Aan hem er klanken aan te ontlokken die verrukken of de rillingen over je rug doen lopen. Goed en slecht gezelschap dient bestudeerd te worden. De waarheid is overal. Laten we alles begrijpen en niets afkeuren, dat is de manier om veel te weten te komen en kalm te zijn, en dat is al heel wat, kalm zijn, dat is bijna gelukkig zijn.”

Leef als een beer

Kalm zijn, dat is Flauberts grootste streven, want hij wist dat ‘geluk’ niet voor hem bestemd was. Zo schrijft hij in 1845 aan een vriend: „Het gaat redelijk goed sinds ik erin berust dat het altijd slecht met mij zal gaan.” Volgens hem zijn er drie voorwaarden voor geluk: domheid, egoïsme en goede gezondheid – maar vooral domheid. Flaubert is teleurgesteld en ergert zich aan iedereen. Hij besluit zich terug te trekken als kluizenaar – volledig in dienst van zijn werk: „Breek met de buitenwereld, leef als een beer – een ijsbeer – laat alles stikken, alles en jezelf inbegrepen, behalve je intelligentie.” Hij streeft ernaar zijn gevoelsleven (uit zelfbescherming?) in te perken: „Syfilis valt minder te vrezen dan hartstocht. De zweren aan je jongeheer kunnen nog uitgebrand worden, die aan je hart niet.” Flaubert heeft als zoon van een overleden arts een klein fortuin tot zijn beschikking en blijft zijn hele leven met zijn moeder in een kasteeltje in de buurt van Rouen. Hij leest en schrijft soms acht tot tien uur per dag, maar vindt alles wat hij produceert slecht en vraagt zich af of hij ooit iets zal publiceren. In 1846 wordt hij toch verliefd, op de jonge dichteres Louise Colet (1810-1876).

In zijn brieven aan Colet is Flaubert opvallend openhartig, hoewel hij in fysieke zin afstand houdt. Hij vertelt haar over zijn zelfspot, een belangrijk middel tegen zijn depressieve neigingen: „Wat me verhindert mezelf serieus te nemen, hoewel ik tamelijk ernstig van aard ben, is dat ik mezelf enorm belachelijk vind, niet van dat belachelijke van bepaalde situaties, wat het komische op het toneel uitmaakt, maar het belachelijke dat inherent is aan het menselijk leven zelf en dat zich bij de simpelste handeling, het gewoonste gebaar, manifesteert. Ik kan mij bijvoorbeeld nooit scheren zonder in lachen uit te barsten, zo idioot vind ik dat.” IJdelheid is wat de mens drijft, maar tegelijkertijd het grootste gevaar: „Succes is een gevolg en mag geen doel zijn.”

Toch breekt Colet met hem en Flaubert volhardt in zijn eenzaamheid. „Het is een degeneratieverschijnsel, niet aan jezelf genoeg hebben. De ziel moet in zichzelf volledig zijn”, zo drukt hij ons op het hart. Hij voltooit op 35-jarige leeftijd Madame Bovary en blijft koel onder het succes, dat hem veel nieuwe vrienden oplevert. Flaubert ergert zich intussen aan de opkomende socialisten en hun roep om gelijkheid: „Er is een permanente samenzwering tegen alles wat origineel is. Hoe meer kleur, hoe meer reliëf je hebt, des te meer aanstoot zul je geven.” Zij streven naar een utopie, iets waar Flaubert van walgt: „Lichtzinnige, bekrompen lieden en verwaande, bevlogen geesten willen overal een conclusie in vinden; zij zijn op zoek naar het doel van het leven en de afmetingen van het oneindige. Hoe wilt u de spaken van een draaiend wiel tellen?”

Het schrijven valt Flaubert zwaarder, omdat het moeizaam gaat, maar toch zijn lot is. „Ik begin te geloven dat ik in mijn leven de verkeerde weg ben ingeslagen, maar was ik vrij in mijn keuze? De burgerman is gelukkig! En toch zou ik er geen willen zijn.” Hij ziet de kunst als iets heiligs, dat dan ook nooit met geld geassocieerd dient te worden. In het licht van de Nederlandse kunstbezuinigingen zijn deze zinnen interessant: „Kunst scheppen om geld te verdienen (…) is de verfoeilijkste aller prostituties.” En: „Wij zijn luxearbeiders; niemand is rijk genoeg om ons te betalen. (…) Het verband tussen een vijffrancstuk en een idee zie ik niet. We moeten de Kunst om de Kunst zelve beminnen, en anders verdient het laagste baantje de voorkeur.”

Dubbelzinnig als het leven zelf

Het mooiste aan Flaubert is zijn hypocrisie. Omdat hij zo ontzettend eerlijk is, spreekt hij zichzelf vaak tegen, zoals met zijn verliefdheid op Colet. Hij is net zo dubbelzinnig als het leven zelf. In zijn brieven verkondigt hij regelmatig dat een schrijver geen mening mag hebben, dat de toekomst en politiek hem niet interesseren, om zich dan drie maanden later weer op te winden over de wereld om hem heen: „Over tien jaar kunnen de mensen misschien niet eens meer een schoen maken, zo afgrijselijk stompzinnig worden ze!” Hij erkent: „Zodra ik mij nergens meer kwaad over maak, zal ik als een pop waar men de stok uit heeft gehaald, in elkaar zakken.” De grote schrijver is cynisch en romantisch, chagrijnig en lief, wanhopig en vrolijk.

Op 8 mei 1880 neemt Flaubert een bad, en overlijdt onverwachts, zonder duidelijke oorzaak. Het is hem niet gelukt zijn laatste roman te voltooien, maar hij heeft nooit geleefd als een burgerman en heeft zichzelf goed leren kennen. Mensen om hem heen maakten zich druk om kleine, betrekkelijke dingen. „Het lijkt me mooier om te proberen het hart van generaties van een paar eeuwen later sneller te laten kloppen en het met zuivere vreugde te vullen.” Goede Gustave, dat is gelukt.