Stop de vertrutting. De Nederlandse literatuur moet weer smoel krijgen.

Peter Drehmanns

Er is een tijd geweest dat literatuur een dominante, provocerende en richtinggevende rol speelde in de maatschappij. Die tijd is voorbij, schrijft auteur Peter Drehmanns in een opiniestuk. ‘De luis in de pels is een schoothondje geworden.’

‘Literatuur is geen aanbod op een vraag, het is een aanbod dat de vraag schept.’ (Harry Mulisch, Voer voor psychologen)

Bovenstaand citaat, bedacht en neergeschreven in een paradijselijke prehistorie, kan tegenwoordig als een haast lachwekkend anachronisme beschouwd worden. De gemiddelde hedendaagse schrijver voelt zich allicht beter vertegenwoordigd door een oppercynicus als Karl Kraus, die ooit vol zelfspot uitriep:

‘Warum schreibt mancher? Weil er nicht genug Charakter hat nicht zu schreiben.’

De tijden dat literatuur een dominante en even provocerende als richtinggevende rol speelde in de maatschappij zijn allang voorbij. De luis in de pels is een schoothondje geworden. Keurig ingekapseld in de amusementsindustrie manifesteert de literatuur zich tegenwoordig, het wemelt van de onschadelijke schrijvertjes die dienen als stoffering van lifestyle-magazines of tv-programma’s die iets met cultuur doen. Ook op trendy literatuurfeestjes als Achievers on Stage (‘hip, hot en happening’) en Literaturfest mag de literatuur de catwalk op om haar geile rondingen te tonen. Getapte jongens als Toine Donk houden leessessies in een badkuip en het enthousiasme van het publiek wordt aangezwengeld door drankspelletjes en geinige quizjes: LOL. Frappant was ook het optreden van A.F.Th. van der Heijden bij College Tour. Uitsluitend de mens achter de schrijver, zijn gemoedstoestand na de dood van zijn zoon, kwam ter sprake, niet zijn schrijverschap, zijn boeken, zijn kijk op de wereld.

Natuurlijk, wij schrijvers willen erbij horen, willen ons meer betrokken voelen bij de buitenwereld, een inniger band krijgen met de tijdgeest, in het ‘volle leven’ staan. Om aan deze menselijke behoefte te voldoen is er tegenwoordig (behalve genoemde podia) goddank zoiets als Facebook, ons theekransje waarbij de laatste roddels worden uitgewisseld en we elkaar vliegen afvangen, zodat we de indruk hebben nog mee te tellen.

Droefenis troef dus. Deze deplorabele toestand is niet alleen te wijten aan de emotiecultuur en het multimediale tijdsgewricht maar ook, jazeker, aan de schrijvers zelf. Omdat we fris en leuk willen zijn. Omdat we, behaagziek als we zijn, ons amper verzetten tegen de vertrutting en vulgarisering van ons vak. Omdat we zelf ook bestsellers willen afscheiden, reality-literatuur à la Knausgård, oeverloos en structuurloos geklets, maar o zo herkenbaar voor de naar richting snakkende lezer.

Naar verluidt hebben we een miljoen aspirant-schrijvers in ons land en dat terwijl de literatuur op sterven na dood is. Die kan misschien alleen nog gereanimeerd worden wanneer er een ingrijpende mentaliteitsverandering plaatsgrijpt in de attitude van de gemiddelde schrijver. Wanneer we weer gaan doen wat we moeten doen: niet langer in de schijnwerpers willen staan maar de schaduwkant opzoeken en ‘de verrotting observeren’ om met Thomas Bernhard te spreken. Niet langer de lezers over hun bolletje aaien maar tegen hun haren in strijken. Nergens voor terugdeinzen, radicaal durven zijn, niet alleen in je onderwerpkeuze maar ook in de taalbehandeling. Tussen het verhevene en het verwerpelijke pendelen zonder bang te zijn op je bek te gaan. Op het scherp van de snede schrijven, pleisters van wonden rukken, compromisloos zijn.

Schöngeisterei: nee. Zwarte humor: ja. Identificatiedwang: nee. Ontmaskering: ja. Verder durven vragen, voorbij het betamelijke, het draaglijke. Verwarring zaaien, walging wekken, woedend en tumultueus verslag doen van een doorgedraaide wereld. Niet ernaar streven houvast te bieden of een kompas te zijn maar juist valkuilen graven. Je personages én je lezers in het duister laten tasten. Hen door elkaar schudden in plaats van hen te sussen en te troosten. Te ver gaan met je personages, je stijl, je moraal. Gevaarlijke en ongemakkelijke romans schrijven, verlevendigd met ironie, met wanhopige tederheid.

Dat zijn allemaal grote woorden, ja. Kanonnenvoer voor GeenStijl-adepten en schrijvers wier grootste zorg het is ‘cool’ over te komen en hun PR tot in de puntjes te beheren, zoals Özcan Akyol, Heleen van Royen, Herman Brusselmans en James Worthy. Maar alleen als de literatuur weer hoog durft in te zetten en zijn laagdrempeligheid inwisselt voor een moordlustige houding, zal zij het misschien nog redden.

Ook het CPNB kan en moet een rol spelen in deze mentaliteitsverandering. Om de literatuur weer smoel te geven moet ze zelf ook meer smoel, meer lef tonen, bijvoorbeeld in de keuze van het boekenweekgeschenk. Waarom niet een keer dat boek laten schrijven door een controversiële auteur als Dautzenberg of een dwarse Belg als Pjeroo Roobjee (die van elke zin een kneedbommetje maakt) in plaats van het volk een zoveelste knuffelboek van een overbekende auteur aan te bieden? Jarenlang krijgt het lezerspubliek elk jaar stipt zo’n gruwelijk laf boekje in de maag gesplitst, zo’n werkje waarover de verrukkelijk recalcitrante schrijver Robert Loesberg gezegd zou hebben:

‘Je zou het eigenlijk, nadat je het gelezen hebt, vooraf in de vuilnisbak moeten hebben kunnen gooien.’

Het is ten zeerste te hopen dat er in de nabije toekomst meer schrijvers van het type Loesberg zullen opstaan. Alleen zo kan de literatuur wellicht weer haar traditionele stekeligheid en urgentie verwerven. Alleen zo kan het getrimde schoothondje misschien weer metamorfoseren tot een ongrijpbare luis in de geföhnde pels van een hysterische wereld.

Peter Drehmanns is schrijver van meer dan tien romans. In september verscheen bij Uitgeverij Marmer diens meest recente roman De man die brak.