Na zestig jaar zoekt Zeeland weer naar slachtoffers

Sommige slachtoffers van de watersnoodramp zijn nooit geïdentificeerd. Onbekende doden worden nu opgegraven. Misschien biedt DNA uitsluitsel.

Het kerkhof van het Zeeuwse dorp Serooskerke ligt naast een boerderij met op de gevel de tekst De tijd zal het leren. De ochtend is grijs. Een hoge auto van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) arriveert en wurmt zich over het toegangspad. Het laantje is smal, er moeten takken van linden worden afgezaagd.

Vanaf gisteren worden in Zeeland doden opgegraven. Een forensisch archeoloog en twee assistenten stappen uit en maken een begin met het openen van zestien graven. Na onderzoek door de beheerder van de begraafplaats zijn die op het gras met wit krijt gemarkeerd. In de graven liggen de resten van slachtoffers van de watersnoodramp in 1953 die nooit werden geïdentificeerd. Onbekende vaders en moeders, broers en zussen.

Bij de ramp vielen 1.836 slachtoffers. Van hen zijn er 108 nooit teruggevonden, 32 zijn als onbekend begraven op Schouwen-Duiveland. De helft van deze groep ligt begraven in Serooskerke.

Op het kerkhof liggen misschien wel de resten van een man die tijdens de vloed op een vlot zat dat door zijn zoon werd vastgebonden aan een boom. Tot de boom werd weggespoeld en de vader verdronk. „Dat zit de zoon nog altijd dwars”, vertelt burgemeester Gerard Rabelink van Schouwen-Duiveland.

Misschien ook liggen er de resten van de oma en het nichtje van Jaap Schoof. De voormalig directeur van het Watersnoodmuseum bij Ouwerkerk is woordvoerder van de zoekenden, verenigd in een klankbordgroep. Schoof: „Ik was negen jaar oud toen mijn oma, mijn tante, haar man en hun dochter omkwamen. Mijn oma en mijn nichtje zijn nooit teruggevonden. Als zij binnenkort kunnen worden geïdentificeerd, geeft dat rust en zekerheid. Dan eindigt de zoektocht.”

Van de onbekende resten is vermoedelijk weinig meer over. De forensisch archeologen verwijderen een stukje uit het dijbeen en uit een kies om een DNA-monster te nemen. Vervolgens wordt het DNA vergeleken met dat van nabestaanden die wangslijm hebben afgestaan. Dat zijn er inmiddels tientallen. Bezwaren tegen het verstoren van de grafrust zijn er niet veel, althans veel minder dan gevreesd. Jaap Schoof: „Er is jarenlang nooit over de ramp gesproken. Iedereen had in de familie wel iemand verloren. Je moest allemaal van de grond af opnieuw beginnen. Volgens sommigen was de ramp bovendien een straf van God. Dat was een last die je maar te dragen had, daar moest je niet over klagen. De laatste tijd zijn mensen blij dat ze hun verhaal kunnen vertellen. Daarmee hebben ze het gevoel de ramp te kunnen afsluiten, ook al is het zestig jaar geleden.” De tranen staan in zijn ogen.

Het zoeken van een match tussen onbekende slachtoffers en nabestaanden maakt deel uit van een „inhaalslag” door de politie. Sinds drie jaar is het wettelijk verplicht van onbekende doden een DNA-monster te nemen. Vóór 2010 gebeurde dat niet. Ed Kraszewski van het Landelijk Bureau Vermiste Personen: „Wij hebben gemeenten gevraagd hoeveel graven van onbekenden zij hebben, om het DNA van de doden te vergelijken met dat van mensen die op zoek zijn naar vermisten.” Een dankbaar klusje. „We hebben laatst een Duitse vrachtwagenchauffeur die in Amsterdam lag begraven, kunnen matchen met zijn zoon. Die zoon heeft jarenlang op de snelweg opzij gekeken of hij in de cabine van een truck een bekend gezicht zag. Dat hoeft nu niet meer.”