Miljoenen Kenianen, geen olifanten meer

Veertig jaar geleden stond ik er te liften, omringd door zebra’s en olifanten. Nu denderen er vrachtauto’s af en aan op de snelweg van de Keniaanse hoofdstad Nairobi naar de havenstad Mombasa en valt er vrijwel geen wild beest meer te zien. In Afrika groeien bevolkingen, en sinds enige jaren ook economieën, snel. Het milieu betaalt daarvoor de prijs: sinds 1973 is het aantal Kenianen verdriedubbeld; het aantal olifanten is verminderd met 85 procent. Over tien jaar telt Kenia 60 miljoen inwoners en geen olifanten.

Vlak buiten de hoofdstad van 350.000 inwoners krioelde het in 1963 van de giraffes en en het kon gebeuren dat mensen een luipaard aantroffen in de keukenkast. Nu bezetten sloppen en satellietsteden rond Nairobi met vijf miljoen inwoners de boomsavannes van weleer. Pas op honderd kilometer van de stad ben je echt buiten. Eerst de knoestige boabab bomen – volgens de legende door woedende heksen omgekeerd in de grond gezet – , gevolgd door de wildernis van het wildpark Tsavo – eens overbevolkt met olifanten – en dan de eerste palmbomen die naar Mombasa leiden, waar de krassende kraaien zweven op de warme lucht van de Indische Oceaan.

Met mijn antieke landrover over de vrijwel verlaten weg deed ik er twintig jaar geleden zeven uur over. Met mijn veel snellere terreinwagen nu kost het me door het drukke verkeer negen uur. In de slaperige dorpjes langs de weg verrijzen kantoorgebouwen, benzinestations, restaurants. Verkopers bieden zakken houtskool aan. De gewoonte in Kenia om hierop te koken hakt er stevig in: in honderd jaar verloor Kenia negentig procent van zijn bossen.

Vlak voor Mombasa loop ik vast in een gigantische file vrachtauto’s. Niet door een aanrijding of een groot gat in de weg, nee, de wegen van Kenia zijn simpelweg dichtgeslibd met het toenemend aantal auto’s sinds de opleving van de economie tien jaar geleden. De BBC verkoos Nairobi vorig jaar als één van de tien hoofdsteden ter wereld met de monsterlijkste files. Alle vrachtwagens afkomstig uit de haven van Mombasa moeten door de stad.

Kenia is de poort voor het grote achterland van Centraal Afrika, waar honderd miljoen mensen wonen. En ook die hebben meer geld om te consumeren. Alles gaat over die ene weg. De kolonisten legden spoorwegen aan van de kust naar de wingebieden in het binnenland, maar die worden nauwelijks meer gebruikt. De trein van Mombasa naar Oeganda en verder vervoert steeds minder containers. Afrika’s infrastructuur was niet voorbereid op de economische sprong voorwaarts.

Het goederenvervoer per trein is nauwelijks goedkoper dan over de weg en lijdt onder vertraging en defecten. Het duurt 22 dagen om goederen in te klaren in Mombasa en per spoor te voeren tot Kampala, een afstand van 1.330 km. De treinen vervoeren slechts 4 procent van de goederen uit Mombasa. En door de groei van de haven van Mombasa valt er ieder jaar tien procent meer te vervoeren.

Zal het verkeer ooit in goede banen worden geleid of staat Afrika in de grote sprong voorwaarts nog meer infrastructurele chaos en vernietiging van het milieu te wachten, zoals ook Europa eens zijn wilde beesten uitroeide en zijn natuur vergiftigde? Op een nog maagdelijk ogend continent begonnen blanke avonturiers begin 19de eeuw Centraal en Oost Afrika te ontdekken. Tweehonderd jaar later volgen Afrikaanse regeringen met plannen voor mega-infrastructurele projecten. Van Mombasa en de al even historische havens van het eilandje Lamu zijn nu spoorwegen gepland naar Zuid Soedan, naar Ethiopië, Rwanda en Burundi. Het proces om het hart van Afrika open te leggen nadert zijn einde.