Het vernietigende werk van de salonpopulist

Van wie heeft de politiek het meeste te vrezen? Van de populist op de flanken van het politieke spectrum? Eerder van de elite, die even hard is mee gaan schelden op het politieke bestel, meent Pieter van Os.

Het is al weer meer dan zeven jaar geleden dat de politicus Alexander Pechtold ophef veroorzaakte met een kwalificatie die hij van zijn nieuwe werkplek gaf. Het politieke bedrijf, zei de kersverse minister van Bestuurlijke vernieuwing, is „vuil en vunzig”.

De ophef was, bij nader inzien, opmerkelijker dan de uitspraak. Want wat een onschuldige woorden bezigde Pechtold eigenlijk; hij was zijn tijd gewoon iets vooruit. Tegenwoordig zijn veel hardere woorden over politici en het politieke bestel volstrekt normaal. Ik hoor het onder vrienden en ik lees het in columns, analyses en commentaren, zeker ook in deze krant. Wat ooit een a-politieke houding was, is omgeslagen in een anti-politieke attitude, met bijbehorende anti-democratische reflexen. Ze is bon ton in gevestigde kringen en onder hoog opgeleide Nederlanders. De teneur: politici zijn opportunistisch en dom, richten zich op onnozele kwesties, zijn mediageil en weten niet waar ze over praten. Hitsig, hetzerig en hyperig.

Met de vunzigheid in de politiek valt het nogal mee

Toen ik niet lang na de woorden van Pechtold als verslaggever van deze krant zelf op het Binnenhof belandde, vond ik het met die vunzigheid nogal meevallen. Ja, politiek is in de aard een modderig bedrijf, net als journalistiek. Geslaagde politiek komt tot stand door hardwerkende mensen die hun principes opportunistisch inzetten, in een spel van wendingen, beloften, compromissen en handige aanwending van procedures. Daar komt wel eens een vreemd geurtje bij vrij, maar dat rechtvaardigt allerminst de categorische afwijzingen waarop columnisten, essayisten en vrienden op verjaarsfeestjes me regelmatig trakteren.

Opvallend is dat de aanvallen niet van de minste schrijvers en denkers komen. De beste schrijver van het land, Arnon Grunberg, noemde de politiek in Nederland in zijn hoekje op de voorpagina van de Volkskrant „een hobby voor kneusjes”. Hij schreef ook: „Het Kamerdebat: kleinkunst. De volksvertegenwoordiger: weet niets en kan niets. De Tweede Kamer: banenproject voor werklozen.” Dichter Gerrit Komrij concludeerde kort voor zijn dood: „We zitten nu met één partij. De halers (politici) versus de betalers (stemvee).” Classicus Ilja Leonard Pfeijffer noemde de democratie zonder aarzelen „een verliezend concept”: te „traag” en „weinig slagvaardig”. Marc Chavannes, commentator van deze krant, noemde de Nederlandse politiek „bewegend behang”, en: „een soap met aantrekkelijke carrièremogelijkheden waar het alleen over bijzaken gaat.” In een artikel met de titel Niemand regeert oordeelde hij: „Het politieke bestel in Nederland kan geen aangrijpender vergezichten schetsen dan de licht belerende accijnsmix die we uit de Ridderzaal gewend zijn.”

De Telegraaf schrijft niet over het kabinet als ‘circus Rutte’

Dit soort teksten zijn retorisch sterke varianten van lompe aanvallen die, zo dacht ik, vooral de kolommen van De Telegraaf vullen. Maar daarmee schatte ik De Telegraaf verkeerd in. Op zoek naar sneren die het hele politieke bedrijf betreffen, belandde ik in het archief van die krant voortdurend in de brievenrubiek. Redactionele artikelen zijn vaak openlijk partijdig – vooral de PvdA krijgt het hard te verduren – maar partijdigheid is ongeveer het tegenovergestelde van de wasknijper op de neus. Mannen als Rob Hoogland en de auteurs van ‘in het kort’ hebben niet het totale politieke bedrijf in het vizier. Ze schrijven niet „circus Rutte” als ze het over het kabinet hebben (Marc Chavannes), ze beweren niet dat in Den Haag „het onvermogen overheerst” (essayist Paul Scheffer) of dat de Tweede Kamer „de deurmat van de democratie” is geworden (Bas Heijne). Ze noemen politiek niet „vies en vunzig”. De ministers die het rekeningrijden willen invoeren, ja, die zijn een gevaar voor het land. Subtekst: politiek doet er toe.

In mijn tijd op het Binnenhof kreeg ik in de gaten wat er aan de hand was: het ‘gewone’ populisme, dat met de komst van enkele nieuwe politieke partijen vaste voet had gekregen in het parlement, had een sjieke variant gekregen: het salonpopulisme. Het manifesteerde zich vooral in allerhande commentaren, bij voorkeur ver weg van het Binnenhof geschreven. Maar het kreeg ook een vertaling in het parlement, vooral door, hoe kon het anders: Alexander Pechtold. Zijn geklaag over stilstand, over Haagse onmacht, gebrek aan moed, aan ‘nikserigheid’; het kwam in de buurt van het eindeloze, richtingloze gezanik over politiek Den Haag dat je doorgaans in de taxi hoort, of in gesprekken met PVV-stemmers en andere politiek teleurgestelden. Goed, ‘klassiek’ populisme was dit niet: Pechtold pakte niet een elite aan die geen weet heeft van wat de gewone man bezighoudt. Hij sprak niet over zakkenvullerij of de ondergang van een nostalgisch, nationaal zelfbeeld. Hij mobiliseerde wel een anti-Haags sentiment, maar onder een andere bevolkingsgroep dan Verdonk, Marijnissen, Roemer of Wilders.

Een van de basisingrediënten van het salonpopulisme is de gedachte dat Den Haag er niet meer toe doet. De werkelijke beslissingen worden elders genomen. Maar vertel maar eens aan ouders wier kind speciaal onderwijs geniet dat Den Haag er niet toe doet, noch de bezuinigingen. Vertel het aan de medewerker van de publieke omroep, nu nog met drie netten. En bepaalt Den Haag niet of plastische chirurgie in het basispakket zit, hoeveel rijkssubsidie er naar orkesten zal blijven gaan, of de zorgpremie inkomensafhankelijk zal worden gemaakt?

De salonpopulist wil zich verre van politiek houden, maar helaas, in een democratie gaat de politiek ook over hem. Wie niets met het bestuur van de eigen gemeenschap te maken wil hebben, kan niet voorkomen dat dit bestuur beslissingen neemt die zijn leven ingrijpend beïnvloeden. In haar tijd als Kamerlid voor GroenLinks hoorde Femke Halsema eens van een bekend acteur, die streed tegen bezuinigingen op de podiumkunsten: „Wij bemoeien ons niet met jullie. Dan kunnen jullie toch tenminste het fatsoen opbrengen om je niet met ons te bemoeien?”

En dan is er de gedachte dat het parlement machteloos is. Aanwijzingen hiervoor zijn het verruwde taalgebruik, het gebrekkige niveau van Kamerleden, kinderachtige toneelacts in het parlement, het misbruik van parlementaire wapens als Kamervraag en spoeddebat, en de onnozele onderwerpen die Kamerleden agenderen. In het bestek van dit artikel voert het te ver te laten zien hoe onzinnig het is deze aanwijzingen als tekenen van een diepe gezagscrisis van het landsbestuur te duiden, daarvoor is het boek waaruit dit artikel is gedestilleerd. Maar toch even, omdat het voor de salonpopulist zulke onbetwistbare kennis lijkt te zijn.

Het idee dat Kamerleden dom zijn is vakkundig weerlegd

De voorbeelden van ‘verruwd taalgebruik’ uit de afgelopen twintig jaar, in honderden uren debat, zijn op één pagina te tellen. Een collega die acht jaar weg was geweest van het Binnenhof, viel na terugkomst juist op hoe de taal van het parlement volstrekt hetzelfde was gebleven, al waren alle sprekers nieuw. En het idee dat Kamerleden dom zijn, is vakkundig weerlegd door onderzoekers Mark Bovens en Anchrit Wille. Het gemiddelde opleidingsniveau van Kamerleden is sneller gestegen dan het gemiddelde opleidingsniveau in de samenleving. Wie opleiding een indicatie van intelligentie vindt, moet concluderen dat Kamerleden, hoewel zeker niet allemaal intellectueel geïnteresseerd, toch zeker slim zijn.

Maar wijst het verlangen om over onnozele onderwerpen te praten dan niet op domheid? Nee, niet echt. Zelf draai ik ook niet warm voor debatten over de invallende vorst, een lokale lampionnenoptocht of een Kangaroo langs de A27, maar niet ik, of een andere hoog opgeleide analist van de politiek maakt uit wat ‘slim’ is om over te praten. Politici doen dat, tijdelijke vertegenwoordigers van de vermeende belangen van hun kiezers die telkens weer verkiezingen moeten zien te winnen.

In de afgelopen jaren deden de toneelspelers dat beter dan de beleidsmakers. Relatief nieuwe partijen, als PVV, SP en De Partij voor de Dieren, blijken het belang van het parlement als podium beter te begrijpen dan de traditionele middenpartijen. PVV-Kamerlid Martin Bosma beschreef eens de sollicitatieprocedure die hij en Wilders in 2006 hadden uitgedacht voor kandidaten op hun lijst. In een hotel op de Veluwe moest een sollicitant optreden achter een nagebouwd spreekgestoelte, klok op vijf minuten. Hij en Wilders zaten als een Idols-jury achter een tafel te luisteren. Tijdens de optredens interrumpeerde Wilders af en toe fel. Misschien was dat wel meer tegenstand dan de PVV’ers later in de Kamer ooit zouden krijgen van politici van het oude beleidsmodel. Want het slechtste theater kwam de laatste jaren van de middenpartijen. Het beeld naar buiten was wel eens anders. De YouTube filmpjes van schutterende PVV’ers haalden duizenden hits. Maar wie op het Binnenhof de debatten werkelijk volgde, zag hoe juist PvdA’ers, VVD’ers, CDA’ers en ook D66’ers strompelend en dikwijls slecht voorbereid door debatten waggelden. CDA’ers en PvdA’ers leken regelmatig niet eens de tegenwerpingen van hun collega’s te horen, zo slecht reageerden ze. De stekker van Sap kent iedereen.

De ergernis over toneelspel en ogenschijnlijk onbenullige Kamervragen laat (vooral) zien hoe salonpopulisten hun politieke partijdigheid verhullen in een mantel van koele, superieure analyse. Politici dansen naar de pijpen van de kiezer, is het verwijt. Ze moeten zich meer gedragen als bestuurders, verantwoordelijke mensen die na rijp beraad iets voor elkaar krijgen, liefst achter gesloten deuren. Maar dat is niet toevallig ook precies wat politici van de traditionele middenpartijen zeggen. Die klagen ook steen en been over de onderwerpen die de partijen op de flanken agenderen, en over de massa’s ogenschijnlijk futiele Kamervragen. Boris van der Ham (D66) verliet eens demonstratief de vergaderzaal toen Marianne Thieme (Partij voor de Dieren) de zoveelste door haar ingediende Kamermotie voorlas.

Het zal de salonpopulist worst wezen, net als de gewone populist. Met feiten moet je ze niet lastigvallen.

Wie het niet eens is met onderwerpen en politieke stijl die volksvertegenwoordigers kiezen, moet op andere volksvertegenwoordigers stemmen. En wie op dit punt met teleurstelling kennis neemt van de verkiezingsuitslagen, kan beter eerlijk zijn over die teleurstelling dan jeremiëren over „een uitholling van het gezag van het parlement”. Want dat is een andere sleutelovertuiging van de salonpopulist: de macht van het parlement kalft af. Deze opiniebijlage drukte een stevig artikel van Marcia Luyten af (kop: ‘Stop het rotten van onze democratie’) waarin ‘de neergang van het parlement’ diep werd beklaagd. De timing was geweldig: juist in die week bleek een handjevol Kamerleden, zonder ambtelijke ondersteuning, het Lenteakkoord in elkaar te hebben getimmerd, met verregaande gevolgen voor land en samenleving. Het zal de salonpopulist worst wezen, net als de gewone populist. Met feiten moet je ze niet lastigvallen.

Het getuigt sowieso van weinig historisch besef om het parlement machtsverlies toe te dichten. De jaren zeventig waren politieke tijden, zeker, maar parlementaire debatten speelden nauwelijks een rol. Nu wel. Bovendien halen tv-omroepen er goede kijkcijfers mee; een totaal nieuwe ontwikkeling. Het gevolg daarvan is ook, en het verklaart een deel van de salonpopulistische klachten, dat de middelmatigheid, de blunders en het opportunisme die politici natuurlijk niet vreemd zijn, uitgebreider dan ooit in beeld komen. Omdat Nederlanders wel zin hebben in hun portie politieke soap, echtscheidingen niet uitgesloten, hebben politici en journalisten elkaar nog nooit zo makkelijk en frequent gevonden; over van alles keuvelen ze met elkaar, het liefst voor een camera. Wie CDA’er Henk Bleker twaalf keer voor zijn tv-programma uitnodigt, heeft de kans gemaximeerd dat de man eens uitglijdt, precies zoals hij deed op ‘de avond van het briefje’. Een heerlijk fragment, door tv-kijkers uitgeroepen tot ‘politieke moment van het jaar’. Het bevestigde de gedachte die ze toch al hadden: stumperds.

De schreeuwlelijken en de machtsmanipulatoren zijn de enigen die zich aangesproken voelen de belangen van kiezers te behartigen.

Die gedachte leeft bij alle populisten, van de salon of van de straat. Verschil zit ‘m in de macht. Die van de salonpopulist is groter, omdat hij zijn anti-politieke houding combineert met een maatschappelijk belangrijke positie. En dat is ook het kwalijke aan zijn vorm van populisme. Door afstand te nemen van de hele politiek, dreigt hij een self-fulfilling prophecy te creëren. Wie Nederlanders overtuigt dat politici onbetrouwbare domoren zijn en het bestel slechts leidt tot visieloze ‘accijnsmixen’, vergroot de aantrekkelijkheid van deze werkplek niet. Op zijn zachtst gezegd. Het effect moge duidelijk zijn: de schreeuwlelijken en de machtsmanipulatoren zijn de enigen die zich aangesproken voelen de belangen van kiezers te behartigen. Dat is precies wat de salonpopulist zegt te verafschuwen.

Wat te doen? Om dicht bij huis te blijven: het zou al heel wat zijn als wij journalisten, analisten, commentatoren en columnisten onszelf de regel opleggen eerst enige echte interesse te tonen in een kwestie, en in de verschillende belangen die politici dienen af te wegen, alvorens we onze mooi geformuleerde afkeer uitspreken. Eerst even goed kijken in die poel van ijdelheid en vermeende talentloosheid, voor we de donder laten neerdalen.

Pieter van Os is redacteur van NRC Handelsblad, politicoloog en auteur van het boek ‘We begrijpen elkaar uitstekend’, over de omgang tussen pers en politiek dat vandaag verschijnt.

Illustraties Hajo