Hé, laten we samenwerken

Zzp’ers omarmen een laagdrempelige en flexibele vorm van samenwerking: de coöperatie Het eigen bedrijf blijft bestaan, collega’s zijn soms concurrenten „De gunfactor is belangrijk”

Borrelend op het Plein tegenover de Tweede Kamer kwam een groep voormalige KPMG-adviseurs op het idee om naast hun eigen bedrijven ook samen iets te doen. Dat was ruim vijf jaar geleden. Ze richtten de Haagse Consultancy Coöperatie (HCC) op, een coöperatie voor organisatie en advies. Het is een rechtsvorm waarbij apart functionerende bedrijven samen ook een nieuwe firma oprichten. Vijf jaar geleden was de coöperatie nog niet zo ingeburgerd. Nu komen er jaarlijks ongeveer 300 bij, zegt hoogleraar ondernemingsrecht Ruud Galle, tevens directeur van de Nationale Coöperatieve Raad (NCR). Ook uit cijfers van de Kamer van Koophandel blijkt de stijgende lijn (zie kader).

„De oude rechtsvorm van eind negentiende, begin twintigste eeuw wordt nieuw leven ingeblazen”, zegt Galle. Niet zoals van oudsher in de zuivel (Friesland Campina), de land- en tuinbouw en het bankwezen (Rabobank). Maar juist in andere sectoren zoals de dienstverlening, adviesbranche en personeelsmanagement. Vooral onder zzp’ers en kleine bedrijven is de coöperatie populair. Het biedt kleine bedrijfjes kans om naast hun eigen bedrijf grotere opdrachten binnen te slepen. Ze kunnen meer investeren en het risico voor als het mis gaat, wordt beter gespreid. Zelfs het onderwijs en de zorg hebben de rechtsvorm ontdekt, weet Galle. „Er zijn scholen die in een coöperatie samenwerken met digitale leermiddelen.”

Bestuurslid zijn voelt als corvee

Het past volgens hem in de huidige tijd waarin mensen de slechte dienstverlening en het grote graaien van multinationals meer dan zat zijn. Bij coöperaties staat niet het rendement van aandeelhouders voorop. Er worden betere op maat gesneden producten geleverd. Ondernemers kunnen veilig samenwerken zonder één bedrijf te hoeven worden. Het is daarnaast ook een flexibele rechtsvorm, waarin veel ruimte is om de coöperatie naar eigen inzicht bestuurlijk en financieel in te vullen.

Dit waren precies de redenen voor de twaalf voormalig collega-organisatieadviseurs om HCC op te richten. In de lichte suite van het statige Haagse herenhuis hebben drie van de twaalf collega-coöperatieleden alvast plaatsgenomen. Robert Grem, directeur van organisatieadviesbureau Van Brienen, is bijna klaar met zijn bespreking. Ook hij schuift aan. Een eigen kantoor voor HCC hebben ze niet. Ze vergaderen om beurten op twee kantoren van de twee leden met de meeste ruimte. Enkele keren per jaar zien ze elkaar alle twaalf tegelijk. „Wij kenden elkaar als oud-collega”, zegt één van hen, Menno Spaan. Als losse bedrijven voldeden ze niet aan de voorwaarden van omzet en zoveeljarig bestaan om mee te dingen met grote aanbestedingen van bijvoorbeeld ministeries. Nu kan dat wel. „We kunnen laag in prijs gaan zitten omdat we voor ons voortbestaan niet afhankelijk zijn van deze opdrachten. Bovendien is de coöperatie bijna zonder hiërarchie. Geen borstbeelden, auto’s en dure directeurssalarissen”, voegt een ander lid, Jan Arent Lameris, toe. „Bestuurslid zijn bij ons voelt toch een beetje als corvee. Je moet alle rotklusjes doen.”

Om de twee jaar nemen drie van de twaalf zitting in het dagelijks bestuur. Het bestuur zet de nieuwe opdrachten uit. „Alles gaat in openheid, wie tijd heeft en graag wil, kan de opdracht doen”, zegt één van de drie vrouwen van HCC, Bianca Maasdamme. Degene die de opdracht doet, houdt de winst, maar draagt een bepaald percentage af aan de coöperatie. Dat is onder andere voor de aansprakelijkheidsverzekering. Het percentage is een harde afspraak. Spanningen zijn er bijna niet, zegt Maasdamme. „Een aanbesteding opstellen is veel werk, daar zit niet altijd iedereen op te wachten.” Dat de twaalf ook elkaars concurrenten zijn, heeft nog niet tot problemen geleid. Lameris: „Uiteindelijk heeft toch iedereen zijn eigen specialisatie en netwerk waaruit opdrachten worden gehaald.” Spaan: „Onze gunfactor naar elkaar is ook hoog, net als het vertrouwen dat wie de opdracht ook uitvoert goed werk aflevert. Wij hebben min of meer hetzelfde dna. Het eigen bureau staat voorop, maar als het ineens heel goed gaat met de coöperatie, verschuift dat.”

De buik vol van multinationals

Ook bedrijven en notarissen die coöperaties helpen deze rechtsvorm op te zetten, doen goede zaken. Alfred Griffioen, een van de oprichters van de Ondernemerscoöperatie, ziet het aantal klanten jaarlijks stijgen. „Wij zien vooral kleine ondernemers, zzp’ers die grotere opdrachten willen binnenhalen. Ieder heeft zijn eigen expertise. Daarbuiten blijven ze gewoon het werk doen wat ze al deden.” In alle sectoren helpt hij coöperaties oprichten: in de bouw, bij interim-managers, adviseurs, arbeidsdeskundigen, in de zorg en het onderwijs.

Notaris Matthijs van den Hout, die de HCC bijstond, merkt net als hoogleraar Ruud Galle dat opdrachtgevers hun buik een beetje vol hebben van multinationals. „Het kleinschalige in coöperaties wordt steeds aantrekkelijker gevonden. Hun worden opdrachten gegund.”

Soms wordt een coöperatie gebruikt om een heel nieuw product in de markt te zetten. De zevenkoppige coöperatie Pac-t personeelsadvies en loopbaanbegeleiding uit Oss ontwikkelde een interactieve methode om betrokkenheid en inzetbaarheid van werknemers te peilen. Pac-t bestaat nu anderhalf jaar, zegt zzp’er Anne-Marie Schaffels. Zij richt zich met haar eigen bedrijfje op advies aan mkb-bedrijven zonder personeelsfunctionaris. „Wij kenden elkaar van ons netwerk in Oss.”

De leden communiceren vooral via internet met elkaar en om de twee weken spreken ze ’s avonds met elkaar af. Opdrachtgevers betalen de coöperatie en die betaalt het uitvoerend lid. Ook bij Pac-t blijft een deel van de winst in de pot van de coöperatie. Niet iedereen doet evenveel voor de coöperatie, maar dat is geen punt. „Het ligt eraan hoe druk je bent, of het op jouw terrein is, of je er tijd en zin in hebt.”

De collega’s van Anne-Marie zijn haar concurrenten, maar in de praktijk voelt dat niet zo. „Wij kunnen elkaar vervangen als het nodig mocht zijn, maar we hebben allemaal onze eigen specialiteit. De één werkt meer in de zorg, de ander in de metaalsector, de volgende geeft veel trainingen. Dat bijt elkaar niet. Maar een echte concurrent zullen we niet snel in de coöperatie opnemen.”