Goedkoper dan de rest

Liever zag minister Asscher (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) de Bulgaren en Roemenen die volgend jaar de Nederlandse arbeidsmarkt kunnen betreden, nog helemaal niet komen. Althans, het verkiezingsprogramma van zijn partij, de PvdA, pleitte voor verlenging van de verplichte werkvergunning voor deze werknemers tot na 2014.

Dat zou in strijd zijn met de Europese afspraken. Nederland kreeg al eerder een tijdelijke vrijstelling van het vrije verkeer van werknemers in de Europese Unie voor zover het Bulgaren en Roemenen betrof; afstel zit er niet in. Intussen groeit in Nederland de werkloosheid en het ongemak over de komst van migranten uit Midden- en Oost-Europa. Dat laatste werd eerder door de PVV tot uitdrukking gebracht in de stichting van een meldpunt voor overlast.

Vorige maand sloeg de vicepremier van Nederland al een alarmistische toon aan om zijn zorg over de arbeidsmigratie naar Nederland tot uiting te brengen. Er was sprake van ‘code oranje’, meende Asscher, wat in andere situaties kan betekenen dat de dijken op doorbreken staan. Het is een manier om de aandacht op een probleem te vestigen; maar net als het meldpunt van de PVV draagt het bij aan een verslechterend imago van Nederland in het buitenland. De Roemeense minister van Arbeid, Mariana Câmpeanu, vroeg zich gisteren in Trouw af: „Waarom bestaat er in een land als Nederland [..] deze xenofobie en dit racisme?”

Het antwoord zit hem in het niet onbegrensde ‘absorptievermogen’ van Nederland tot het opnemen van ‘vreemdelingen’ en vooral in het gevoel dat Polen en andere Midden- en Oost-Europeanen de banen inpikken die Nederlanders zouden moeten bezetten. En dat zij dat doen door goedkoper te zijn, door cao’s te ontduiken en door genoegen te nemen met karige huisvesting. Kortom: door concurrentievervalsing. Voor een deel is dit gewoon waar, naast het gegeven dat er bijvoorbeeld in de tuinbouw werk bestaat waar veel Nederlanders hun handen niet aan vuil wensen te maken.

Minister Asscher wil nu door middel van een onderzoek de Europese Commissie ervan overtuigen dat sprake is van een reëel probleem. In de aanloop naar de Europese verkiezingen die volgend jaar worden gehouden (in Nederland op 22 mei) heeft hij daarmee een thema te pakken dat zeker niet onbesproken zal blijven. Het gevaar is wel dat de minister raakt aan een kernpunt van de economische samenwerking binnen de Europese Unie: het vrij verkeer van personen en goederen.

Er is niets tegen onderzoek en het is zeker verstandig om problemen niet weg te moffelen door er een taboe over uit te spreken. Maar het valt Roemenen, Bulgaren en andere arbeidsmigranten moeilijk kwalijk te nemen dat zij naar middelen zoeken om hun welvaart te vergroten. Asscher en andere politici zullen hier zelf voor een oplossing moeten zorgen. Inderdaad moeten grensoverschrijdende schijnconstructies met behulp van malafide uitzendbureaus op Europees niveau worden aangepakt, zoals de minister bepleit. Maar het zijn Nederlandse werkgevers die ervan gebruikmaken, het zijn Nederlandse overheidsinspecteurs die daartegen in het geweer moeten komen, net als wanneer Nederlandse werknemers weigeren hun Nederlandse uitkering te verruilen voor een betaalde baan.