Euro is met dit geïsoleerde Duitsland niet te redden

Duitsland ligt onder vuur in Europa. Met een ‘merkeliaanse’ aanpak van de euro is de eenheidsmunt verloren, schrijft Dominik Geppert.

illustratie Christo Komarnitski

Bij al het enthousiasme voor de Europese eenwording was de Duitse bondskanselier Kohl zich er bijna vijfentwintig jaar geleden van bewust, dat zijn concessie inzake de gemeenschappelijke munt strijdig was met de traditionele Duitse standpunten op dit gebied. Hij had zijn besluit genomen „tegen de Duitse belangen in”, zei hij eind 1989 tegen de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken James Baker. Maar de stap zou politiek belangrijk zijn geweest, omdat Duitsland vrienden nodig had.

De eurocrisis heeft deze overweging als drogreden ontmaskerd. In plaats van door het opgeven van de D-mark vrienden te hebben gemaakt, wordt Duitsland in Europa met meer vijandigheid en wantrouwen tegemoet getreden dan ooit eerder na het einde van de Tweede Wereldoorlog. De politiek van het aan banden leggen van Duitsland en van de Duitse zelfbeperking stuit op haar grenzen – niet uit kwade wil, maar omdat het dilemma van het Duitse overwicht door deze vorm van Europese eenwording niet kan worden opgelost.

Het beleid van de kleine stapjes van Angela Merkel maakt het probleem alleen maar groter. Zij zet het overdreven enthousiasme voor de muntunie voort, doordat ze Europa gelijkstelt met de euro: „Mislukt de euro, dan mislukt Europa”. Tegelijk houdt zij vast aan het principe dat Duitsland alleen financiële steun zal geven als de Europese schuldenlanden bereid zijn hervormingen door te voeren. Op deze manier is zij in een klassiek dilemma verzeild geraakt: ze heeft het lot van het continent gekoppeld aan het bijeenhouden van de muntunie. Deze benadering is contraproductief, omdat zij het Duitse beleid tegen elke prijs aan het voortbestaan van de eenheidsmunt in zijn huidige samenstelling ketent. Zo kan Duitsland de schuld van het ‘einde van Europa’ in de schoenen worden geschoven, als de bondsregering niet meer bereid zou zijn om nog meer garanties en kredieten te verstrekken.

Ook verbindt Merkel de Duitse steun voor de schuldenlanden aan concrete voorwaarden, waarmee zij haar ideeën over de oplossing van de crisis hoopt te kunnen doorzetten. Maar de andere Europeanen hebben het gevoel dat ze beroofd worden van politieke kernbevoegdheden; van democratisch zelfbestuur op economisch en sociaal gebied. Duitsland werpt zich als de hegemoniale macht van het continent op, zo klinkt het verwijt.

Maar in werkelijkheid is Duitsland geen hegemoniale macht in Europa geworden, en ook geen ‘leider tegen wil en dank’. Duitse suprematie zou niet alleen botsen met Europese verdragen, maar ook stuiten op de weerstand van andere Europese staten, vooral Frankrijk en Groot-Brittannië. Duitsland neemt in de eurozone veeleer weer die half-hegemoniale positie in, die het land in de tijd van Bismarck ook al had. Het is te sterk om zich te voegen naar de instituties van de muntunie, en te machtig om daar als gelijke onder gelijken te functioneren. Tegelijk is het te zwak om de rest van de eurozone zijn beleid op te dringen. Het zal vooral niet lukken landen een duurzaam begrotingsbeleid op te dringen, dat in strijd is met hun politieke en economische tradities en mentaliteit.

Een Duits isolement ligt op de loer. Niet alleen de chef van de Bundesbank bevindt zich in een geïsoleerde positie binnen de Europese Centrale Bank, ook de bondskanselier zelf lijkt binnen de Europese raad van regeringsleiders een roepende in de woestijn. De bondsregering staat met haar strategie van crisisbeheersing door het geleidelijk verminderen van de schulden binnen de eurozone vrijwel alleen.

Financiële solidariteit en Europese eenwording zijn voor het eerst in de Duitse naoorlogse geschiedenis met elkaar in tegenspraak. In plaats van een stabiele munt te exporteren, heeft de Bondsrepubliek de gevolgen van het zwakke monetaire beleid van haar Europese buren geïmporteerd. In plaats van door het opgeven van de D-mark de Europese eenwording onomkeerbaar te maken, is door de euro de voortgang van het integratieproces ernstiger dan ooit te voren in twijfel getrokken. In plaats van dankzij de muntunie voor eens en altijd aan de dwangbuis van de halve hegemonie en het dreigende isolement te kunnen ontsnappen, wordt Duitsland in Europa geconfronteerd met vragen over zijn vermeende dominantie.

Geen van de tot nu toe besproken strategieën voor de redding van de muntunie zal Duitsland uit deze dwangpositie kunnen bevrijden. Als de regering, met haar in het begrotingspact opgesomde eisen over een striktere begrotingsdiscipline en pijnlijke hervormingen, in de Zuid-Europese landen haar zin krijgt – wat onwaarschijnlijk is – dan zullen van daaruit voortdurend protesten tegen een Duits dictaat en tegen het neo-imperiale beleid van Berlijn te horen zijn. Zegevieren daarentegen juist die krachten, die een nog zwaardere financiële inspanning van de Bondsrepubliek eisen, dan zullen de overdrachtsbetalingen binnen de muntunie een omvang krijgen die geen enkele Duitse regering nog aan de belastingbetalers kan verkopen.

Aan de omvang en de economische kracht van Duitsland kan binnen een breder en losser verband – waaraan ook Groot-Brittannië, Zweden, Denemarken, Polen en andere Oost- en Midden-Europese staten op gelijkwaardige basis zouden deelnemen – makkelijker tegenwicht geboden worden. Voor alle betrokkenen zou een dergelijk verband draaglijker zijn dan een economisch en begrotingstechnisch dichtgetimmerde, kleinere eurozone met een sterk Zuid- en West-Europees accent, waarin Duitsland oppermachtig lijkt maar zich voortdurend in een minderheidspositie en een dreigend isolement bevindt.