De valse keuze van Jetta Klijnsma

Ah, dus er kan nu gekozen worden tussen twee pensioenvarianten. Staatssecretaris Klijnsma van Sociale Zaken (PvdA) stelt de sector bij de grote pensioenhervorming voor een keuze: of het aanbieden van een nominaal pensioen, dat de garantie geeft op een zeker pensioenbedrag, waar niet te veel koopkrachtbehoud van mag worden verwacht. Of een reëel pensioen, dat probeert ten minste de inflatie bij te houden, met het risico dat dat niet lukt. In wezen volgt Klijnsma hierbij de regels van het zogenoemde Capital Asset Pricing Model, waarin risico en rendement elkaars partner zijn: minder risico, dan ook minder rendement. Of meer rendement maar dan ook meer risico.

Maar waar blijft de deelnemer? Kennelijk kiest de sector straks voor een variant, maar de vraag is of de deelnemer die zelf ook wil. Je zou denken dat elke deelnemer ergens bij zijn of haar pensioenfonds een potje heeft waarin zit wat er tot nu toe is gespaard. Dat is niet zo. De individueel opgebouwde pensioenbesparing doolt ergens rond in een actuarieel labyrint. Het enige berekenbare bedrag is het opgebouwde recht, waar de deelnemer elk jaar van op de hoogte wordt gesteld. Dat is wat anders dan het opgebouwde geld.

Vreemd, als je er over nadenkt: je spaart verplicht, maar je weet niet eens hoeveel je hebt. Dat is jammer. Juist nu er een diepgaande discussie is aangezwengeld, met drie miljard aan bezuinigingen als doel, wordt de Grote Vraag vermeden: waarom wordt het stelsel niet vergaand geïndividualiseerd? Zijn we daar te dom voor? In zekere zin wel. Er zijn inmiddels zo’n één miljoen zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) en van hen is bekend dat het sparen voor de oude dag vaak geen prioriteit is, en is geweest. Omdat de samenleving er vroeg of laat voor dreigt op te draaien als deze hele groep straks zonder reserves oud wordt, is het best een goed idee om hen tot sparen te verplichten. Dat geldt al voor vrijwel iedereen met een vaste baan, die verplicht spaart bij het pensioenfonds. Maar een verplichting tot sparen is wel wat anders dan het weggeven van elke zeggenschap over dat spaargeld zelf.

Maar zijn pensioenfondsen daar niet beter in? Tja. In de jaren 90 werden premies verlaagd of stilgelegd, en werd er ‘overwinst’ uitgekeerd aan werkgevers omdat de beurzen toen tot in de hemel stegen. Toen de zeepbel op de beurzen uiteenspatte, was het te laat. Een fors deel van de huidige onderdekking zou er zonder deze hysterie niet zijn geweest.

Werkgeversorganisaties hadden er belang bij, vakbonden dachten dat van zichzelf ook. Dat is overigens nog steeds de reden dat de pensioenregeling in Nederland in wezen onveranderlijk is. Vrijwel niemand, geen politieke partij, geen werkgeversclub of vakbond laat zich deze machtige organisaties afnemen. Zij zijn, in de praktijk, de eigenaar. Wij niet.

Maar samen zijn we natuurlijk wel goedkoper uit, toch? Tja (2). Het ABP, om de grootste maar te nemen, rapporteert over 2012 1,9 miljard aan beleggingskosten (de ruif waaruit ook de financiële sector van New York tot Londen mee-eet) en driekwart miljard aan personeels- en bedrijfskosten. Daar zitten heel veel mannen en vrouwen bij in (mantel)pakjes en met leaseauto’s die heel veel vergaderen in kantoren die ook weer moeten worden betaald. ABP’ers kosten jaarlijks, inclusief de secretaresses en de jongens van de technische dienst, gemiddeld 121.000 euro aan salaris, lasten en pensioen per persoon.

De kosten tellen op tot 2,6 miljard. Op drie miljoen deelnemers is dat 900 euro de man per jaar. 75 euro in de maand aan kosten per deelnemer, dus. 75 euro! Kunnen mensen dat individueel écht niet beter en goedkoper?

Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze column over economische ontwikkelingen.