Wie houdt er nu van een deurwaarder?

Het beroep van gerechtsdeurwaarder is niet zonder risico. En nu wil de overheid hem bij ontruimingen ook nog de bijstand van een politieagent onthouden. De beroepsorganisatie: „Wat is dan in hemelsnaam wél een politietaak?”

Een deurwaarder staat met twee man politie in de gang van een gezin waar zojuist beslag is gelegd. foto hh/roel visser

Deurwaarders. Ze komen nooit gelegen. En hun boodschap is nooit aangenaam. Ze leggen beslag op auto’s, salarissen, huizen. Ze ontruimen woningen als schuldenaren hun huur niet betalen.

Dagelijks krijgen gerechtsdeurwaarders gescheld en getier te verstouwen, zegt John Wisseborn, voorzitter van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders, zelf deurwaarder in Harderwijk. En al zijn de 950 gerechtsdeurwaarders van Nederland getraind in de kunst der conflictoplossing, wekelijks krijgt er wel eentje een duw of een klap.

Er valt meer voor. Schuldenaren die de kinderen van de deurwaarder op het schoolplein aanspreken. Kogel- of poederbrieven die naar het kantoor van een deurwaarder worden gestuurd, of een bak met poep. Het opendraaien van de gaskraan, een paar uur voor een woninguitzetting. Zo explodeerde een portiekwoning in Dordrecht bij een uitzetting in juni 2010. De bewoner overleed, de deurwaarder en zeventien anderen raakten gewond. Onderzoek van Binnenlandse Zaken laat zien: 92 procent van de deurwaarders werd in 2011 slachtoffer van agressie of geweld.

Tegen dit geweld willen kabinet, justitie en politie optreden. Een kwart minder geweld jegens werknemers met een publieke taak, dat was in 2011 het doel van Rutte I. Tegen ambulancebroeders, treinmachinisten. En dus ook tegen deurwaarders – een beroepsgroep die net iets minder volkssympathie geniet. Het Openbaar Ministerie (OM) hanteert als vuistregel: dubbele strafeisen voor geweld tegen mensen met een publieke taak, in vergelijking met ‘gewone’ slachtoffers.

Geen urgentie

Een uitstekend streven, zegt John Wisseborn. „Maar ik merk er bitter weinig van in de praktijk.” Hij stuit juist op een gebrek aan urgentie, bij het OM, bij het ministerie van Veiligheid en Justitie, en bij de politie. Want „wie houdt er nu van een deurwaarder?”, zegt Wisseborn. „Komt een belaagde deurwaarder bij de politie, dan is vaak de reactie: tsja, dat hoort een beetje bij uw werk.” Of de politie zegt: dit kan nooit een rechtszaak worden. „De boodschap is dan: er zijn geen getuigen van het geweld. Het is het woord van de deurwaarder versus het woord van de schuldenaar. En die ontkent uiteraard elke aantijging.”

Wisseborn geeft een voorbeeld: een deurwaarder uit Arnhem die onlangs telefonisch werd bedreigd. Ze nam het gesprek op. Inderdaad een bedreiging, zei het lokale OM. Maar is het wel de schuldenaar die het telefoontje pleegde? Misschien niet. Strafzaak geseponeerd.

Wisseborn: „Hoe groot is nu de kans dat iemand anders dan de schuldenaar die deurwaarder heeft bedreigd? En los daarvan: het OM kan toch de telefoongegevens van de schuldenaar opvragen? Kijken of er gebeld is op het tijdstip waarop de deurwaarder haar dreigtelefoontje ontving? Het OM had deze zaak rond kunnen krijgen. Maar dan moet je wel moeite willen doen.”

Wisseborn verwijt het OM „een zekere mate van hypocrisie”: in de media hard roepen dat je plegers van geweld tegen publieke personen wilt aanpakken, en het vervolgens nalaten als het erom spant.

Er is meer onvrede onder de gerechtsdeurwaarders. Minister Opstelten (Veiligheid en Justitie, VVD) stuurt binnenkort een wetsvoorstel naar de Tweede Kamer waarin staat dat bij woningontruimingen niet langer een politieagent mee hoeft met de deurwaarder – een gemeenteambtenaar volstaat straks. Nu is de aanwezigheid van een agent nog verplicht: als een deurwaarder zonder toestemming een woning binnengaat, overtreedt hij het grondwettelijke huisrecht. Dat mag hij dus niet zomaar doen. Daarom schrijft de wet voor dat de deurwaarder zich voor een woningontruiming moet wenden tot de burgemeester, die zich mag laten vertegenwoordigen door een politieagent – met minstens de rang van hulpofficier.

Ontruimen riskant

Maar hulpofficieren zijn schaars, en de politie wil van die bepaling af. Vandaar het nieuwe wetsvoorstel: de burgemeester mag een buitengewoon opsporingsambtenaar aanwijzen, om de deurwaarder bij een woningontruiming te vergezellen.

John Wisseborn vreest dat de veiligheid van de deurwaarders in het geding raakt. „Woningontruimingen kunnen riskant zijn. Schuldenaren zijn soms volledig opgefokt. De aanwezigheid van een agent, herkenbaar door zijn uniform, kan ervoor zorgen dat iemand het eerder uit zijn hoofd laat om geweld te plegen.” Deurwaarders dragen geen wapen. Buitengewoon opsporingsambtenaren soms, als zij daartoe bevoegd zijn.

Woningontruimingen raken aan een grondwettelijk recht, zegt Wisseborn. „We boren sloten open, betreden iemands huis tegen zijn wil. Als we daarvan met z’n allen zeggen: het is geen politietaak om daarbij aanwezig te zijn, wat is dan in hemelsnaam wél een politietaak?”

Het ministerie van Veiligheid en Justitie zegt in een reactie dat bij de wetswijziging alleen de „standaardinschakeling” van de politie bij een woningontruiming komt te vervallen. Er kan altijd een beroep worden gedaan op de politie „indien sprake is van escalatie of geweld”, zegt een woordvoerder. En er wordt onderzoek gedaan naar de eisen waaraan gemeenteambtenaren moeten voldoen.

Op de kritiek dat niet kordaat wordt opgetreden bij aangiftes, reageert het OM dat een aangifte van één belaagde deurwaarder „bewijstechnisch” nu eenmaal niet volstaat, hoe overtuigend ook. Reden: de deurwaarder wordt aangemerkt als burger, en voor burgers geldt: één getuige is niet genoeg. Voor politieagenten of opsporingsambtenaren werkt dat anders: „Als een politieman of een controleur in het openbaar vervoer wordt belaagd, maakt deze op ambtseed een proces-verbaal op en kan de rechter de verdachte daarop veroordelen.” Maar ja, zegt het OM: „De deurwaarder is geen opsporingsambtenaar.”