Obama, kijk naar de Golfoorlog en Kosovo. Oorlog moet je verkopen!

De Amerikaanse bevolking is tegen ingrijpen in Syrië. Obama kan dit veranderen als hij lessen trekt uit vorige oorlogen, betoogt Jonathan Tepperman.

Een van de meest genoemde verklaringen voor de extreem voorzichtige aanpak van de kwestie Syrië door president Obama is de tegenstand van het Amerikaanse volk. Overheidsfunctionarissen en deskundigen wijzen op opiniepeilingen als die van 3 september, waaruit blijkt dat maar 29 procent van de Amerikanen luchtaanvallen steunt.

Het zou logisch zijn als het Witte Huis zich over zulke cijfers zorgen maakte. Een studie van afgelopen zomer wijst uit dat het isolationisme een recordhoogte heeft bereikt – ongetwijfeld een gevolg van het bedrog en de mislukkingen van de oorlog met Irak en de twaalf bloedige jaren in Afghanistan.

Maar dat hoeft nog niet het hele verhaal te zijn. De verhouding tussen de publieke opinie en de buitenlandse politiek is namelijk heel ingewikkeld en veranderlijk. Kijken we naar andere conflicten uit het jongste verleden, dan blijkt dat de Amerikaanse opvattingen over gewapend ingrijpen snel en drastisch kunnen verschuiven en dat een president heel veel kan doen om een sceptisch publiek mee te krijgen.

Wie zich verdiept in zes van de laatste grote Amerikaanse legeroperaties – de Golfoorlog, Haïti, Kosovo, Irak, Afghanistan en Libië – constateert een aantal grondbeginselen waaruit de regering Obama het vertrouwen zou kunnen putten om nu in Syrië het voortouw te nemen.

De eerste twee beginselen zijn duidelijk: de Amerikanen voelen het meest voor militaire actie als hun land is aangevallen. Dit verklaart waarom de inval in Afghanistan bij een peiling in oktober 2001 90 procent steun genoot. Of als ze zich bedreigd voelen, zoals bij Irak, toen aan de vooravond van het conflict 59 procent steun onder de bevolking werd gepeild. Ze staan het minst te juichen als de nationale veiligheid niet direct in het geding lijkt, zoals in Haïti, dat aanvankelijk maar 31 procent bijval kreeg.

Amerikanen houden van winnen

Hierdoor klinkt het misschien of Syrië een kansloze zaak is. Maar zoals de andere recente conflicten hebben uitgewezen, hoeven lage begincijfers nog niet noodlottig te zijn. Libië, Kosovo en zelfs de Golfoorlog waren ook niet meteen razend populair, met een publieke bijval van respectievelijk 27, 46 en 55 procent. Maar tegen het einde waren deze getallen aanzienlijk gestegen: met minstens 10 procent in het geval van Libië, 22 procent bij Kosovo en circa 25 procent bij de Golfoorlog, volgens een peiling.

Opiniepeilers en anderen die zich in dit soort gegevens verdiepen, noemen verschillende redenen waardoor oorlogen gaandeweg populairder kunnen worden. Ten eerste scharen de Amerikanen zich volgens politicoloog Craig Charney achter de vlag zodra de gevechten beginnen, hoewel het enthousiasme van korte duur kan zijn.

Ten tweede, zoals de academici Joseph Grieco, Christopher Gelpi, Jason Reifler en Peter Feaver in mei 2011 betoogden in een artikel in International Studies Quarterly, groeit de steun onder het volk naarmate de president een bredere binnen- en buitenlandse coalitie weet op te bouwen en meer lasten met bondgenoten kan delen. Zo maakten de NAVO-instemming met de oorlog in Kosovo, de internationale steun en goedkeuring van het Congres voor de Golfoorlog en het VN-stempel op de Libische luchtoorlog stuk voor stuk grote indruk op de Amerikanen.

Ten derde moet de president de oorlog kunnen ‘verkopen’, vooral als de Amerikaanse belangen niet in gevaar lijken. In dit verband is de Golfoorlog heel leerzaam. Het leek eerst onmogelijk om de Amerikanen te interesseren voor de inval van Saddam Hussein in een nietig olierijk emiraat. Maar president George H.W. Bush wist het conflict los te maken van een vaag principe (de territoriale integriteit van Koeweit) en het vaardig te verbinden aan iets wat de Amerikanen in hun eigen omgeving trof: de olieprijs. Voor de zekerheid koppelde de regering Bush in de publieke opinie ook nog Saddam aan Hitler.

Tot slot illustreren al deze interventies dat niets zo succesvol is als succes. De grootste reden dat het publiek van mening veranderde over de Golfoorlog, Kosovo en Libië was misschien wel dat deze kort, goedkoop en vooral succesvol waren. Opiniepeiler Andrew Kohut wijst erop dat de Amerikaanse bijval tijdens de 78 dagen van de oorlog in Kosovo gaandeweg afnam, totdat de Servische president Slobodan Milosevic voor de meedogenloze NAVO-bombardementen zwichtte en zijn troepen uit de omstreden provincie terugtrok, waarna de steun van de Amerikanen omhoog vloog. Conclusie: de Amerikanen houden van winnen en willen daarvoor veel vergeven.

Wat betekent dit nu allemaal voor de regering-Obama en Syrië? Ten eerste dat het Witte Huis terecht het fiat van het Congres vraagt, omdat de Golfoorlog heeft laten zien dat dit een onzeker electoraat gerust kan stellen.

Ten tweede is het essentieel om internationale bondgenoten mee te krijgen, iets wat minister van Buitenlandse Zaken John Kerry op het ogenblik dan ook wanhopig probeert – zij het buiten Frankrijk en Turkije met beperkt succes.

Ten derde moet de president verkopen, verkopen en nog eens verkopen. Als Obama de bevolking achter luchtaanvallen hoopt te krijgen, zal hij zijn eigen voelbare halfslachtigheid moeten overwinnen en in klare taal moeten uitleggen waarom de Syrische burgeroorlog en het gebruik van chemische wapens daarin ertoe doen. Hij moet de Amerikaanse doelstellingen en strategie duidelijk maken. En vervolgens moet hij zijn pleidooi luid en vaak herhalen.

Zorg dat de actie slaagt

Tot nu toe heeft Kerry zich uitstekend van deze taak gekweten. Hij heeft zelfs München, 1938 en de annexatie van Tsjechoslowakije door Duitsland erbij gehaald. Maar dat geldt niet voor Obama, met als gevolg dat volgens de peiling van 3 september maar 32 procent van de Amerikaanse bevolking begrijpt waarom hij van plan is Syrië aan te vallen. Dat moet veranderen, om te beginnen met zijn toespraak van dinsdag.

Een laatste opmerking. Ook als de regering haar bondgenoten, het Congres of de bevolking uiteindelijk niet overtuigt van het nut om Bashar al-Assad aan te vallen, dan blijkt uit de geschiedenis van de recente Amerikaanse interventies dat het volk zich daar altijd nog achter kan scharen – mits de actie goed afloopt.

Enerzijds moet dit Obama huiverig maken, want het griezeligste van gewapende conflicten is dat ze nooit voorspelbaar zijn. Maar anderzijds moet het hem sterken. Wat het volk van oorlog en vrede vindt is wel van belang, maar mag niet voor de president beslissen. Uiteindelijk is de belangrijkste les die uit de bestudering van de peilingen in het verleden kan worden getrokken, dat het Witte Huis vooral moet zorgen dat zijn beleid deugt en dat het een geslaagde actie uitvoert – in het vertrouwen dat het Amerikaanse volk dan waarschijnlijk ook wel bij zal draaien.

© The New York Times. Vertaling Rien Verhoef.