Kunst in Kinshasa en slavernij in Haïti

Op Visa pour l’Image maken eigenzinnige fotoreportages de meeste indruk

Hard nieuws, ellende en conflict. Dat is waar Visa pour l’Image, het festival voor fotojournalistiek in Perpignan, al 25 jaar lang over gaat. Afgezien van de fotoreportage Burning Man – het neo-hippiefestival in Nevada – en de kleurrijke opnames over de kunstenaarsscène in Kinshasa, zijn er dit jaar wederom veel hardcore nieuwsreportages uit conflictgebieden.

De nadruk ligt met name op Syrië. Maar liefst drie exposities tonen de gevolgen van de meedogenloze burgeroorlog die nu al twee jaar voortsleept. Sebastiano Tomada (Sipa Press) en Goran Tomasevic (Reuters) maakten harde nieuwsbeelden van gevechten en gewonden bij de frontlinies. Dat geweld contrasteert met de beelden die Jérôme Sessini (Magnum Photos) begin dit jaar maakte in Aleppo, de stad die grotendeels is ingenomen door de rebellen. Bij hem geen strijdtaferelen maar lege straten. Sessini ging naar zes frontlinies in Aleppo en fotografeerde de kapot geschoten huizen en straten. In een bijeenkomst vertelde de Franse fotograaf hierover: „Ik wilde niet alleen de gevechten en vluchtige momenten van de oorlog vastleggen, het ging mij erom een breder verhaal te vertellen. De stilte en de angst is zo voelbaar in die delen van de stad, je merkt hoe de bevolking aan zichzelf is overgelaten.”

Zo’n alternatieve aanpak had ook Muhammed Muheisen. Werkzaam als staffotograaf voor AP in Islamabad, heeft deze fotograaf de afgelopen 12 jaar alle conflicthaarden in het Midden-Oosten vastgelegd. Afgezien van de harde nieuwsbeelden die hij het persbureau levert, ging hij in landen als Afghanistan en Irak ook op pad om het dagelijks leven te fotograferen. Zijn expositie Life Goes On toont onverwachte beelden waaronder een naakte Afghaanse man die, staand in een improvisorisch douchehok, wacht op zijn dochter die hem water komt aandragen. Of de man die in de straten van Azaz, een buitenwijk van Aleppo, op de stoep van zijn huis een baby de fles geeft.

Bijzonder sterk is ook het fotoproject van Vlad Sokhin (Cosmos) getiteld Restaveks (afkomstig van het Franse ‘rest avec’). Voor deze serie ging Sokhin langs bij de moderne ‘kindslaven’ van Haïti. Sinds de grote aardbeving in 2010 zijn veel kinderen dakloos of worden, vanwege de aanhoudende armoede, door hun ouders weggegeven aan ‘welvarendere’ gezinnen, in de hoop op een betere toekomst. Helaas pakt die wens meestal anders uit. Veel van deze kinderen moeten in hun eentje een groot huishouden runnen en hebben nauwelijks rechten. Zo mag de 12-jarige Judeline zich alleen buiten wassen, slaapt de 17-jarige Jenica op de kale vloer en wordt de 11-jarige Etienne, werkzaam in een drankzaak in Port au Prince, geregeld mishandeld.

Het bewijst maar weer hoe meedogenloos de vicieuze cirkel is waarin de allerarmsten van deze wereld verkeren. Datzelfde fenomeen laat Abir Abdullah (EPA) op een meer afstandelijke manier zien in de expositie Death Trap. In Pakistan fotografeerde hij de werkplaatsen en kledingfabrieken die, vanwege een gebrek aan brandveiligheidseisen, in rook opgaan. De textielfabriek die vorig jaar november in Dhaka afbrandde, blijkt er maar één te zijn in een reeks van vele incidenten.

Ook Andrea Star Reese onderscheidde zich met een reportage over geestelijk zieken in Indonesië. Bij gebrek aan psychiatrische hulp worden velen opgeborgen in open kooien of kwijnen weg, gekluisterd aan kettingen in opvangtehuizen.

Vanwege het jubileumjaar was er ook extra aandacht voor het werk van João Silva, de Zuid-Afrikaanse fotograaf die in 2010 beide benen verloor in Afghanistan. Zijn foto’s uit 2006 van de oorlog in Irak zijn absoluut de meest afschrikwekkende beelden van het festival. Toch zijn het vooral de reportages van Sokhin en Star Reese die beklijven. Het loont om met geduld een onderwerp uit te diepen of, zoals Don McCullin afgelopen week over zijn eigen werkmethode concludeerde: „Hoe langer je rondloopt in een land, hoe meer lagen je kunt afpellen van een samenleving. En dat levert de beste foto’s op.”