Inbraak

Inbreken lijkt in Nederland een nationale sport te worden. Fietsendiefstal telt als zodanig niet meer echt mee – dat is meer een nationale gewoonte geworden. Inbreken heeft nog wel iets crimineels, al zal dat misschien ook niet meer zo lang duren. De politie hoef je er ’s nachts niet voor wakker te maken, die heeft wel iets anders te doen; wát precies, dat weet alleen minister Opstelten.

Ik moet zo langzamerhand een van de weinige Nederlanders zijn bij wie nog nooit is ingebroken. Dat voelt een beetje eenzaam. Daarom laat ik me als compensatie graag spectaculaire verhalen over inbraken vertellen. Eén ervan gaat over iemand die ’s nachts beneden in zijn huis enig gerucht hoorde, voorzichtig de trap afdaalde en in zijn huiskamer een slapende inbreker aantrof. De routine was de man te machtig geworden; wéér zo’n inbraakje, het werd vervelend.

Vandaag wil ik u een recente ervaring doorvertellen van mijn dochter en schoonzoon, woonachtig in een keurige, dichtbevolkte buitenwijk van een grote stad.

Mijn dochter werd omstreeks vijf uur in de morgen wakker door het geluid van brekend glas en een loeiend autoalarm. Ze stootte haar man aan die snel naar het raam liep. Hij zag twee jonge mannen bij zijn auto, die langs de stoeprand geparkeerd stond. De ene hing met zijn bovenlichaam door het versplinterde raam aan de passagierskant; de andere drentelde, het hoofd gehuld in een capuchon, waakzaam op en neer.

Mijn schoonzoon begon te schreeuwen: „Afblijven!”, „Oprotten!”, „Wegwezen!”. Schelden deed hij niet, want het is een nette man, daar heb ik wel op gelet toen hij de hand van mijn dochter vroeg (heeft hij dat eigenlijk wel gedaan, vraag ik me opeens af, maar laat ik niet afdwalen). Hij veronderstelde dat zijn vocale interventie voldoende zou zijn, maar tot zijn verbazing was dat helemaal niet het geval.

De inbreker die in de auto hing, ging gewoon door met zijn werk. Hij móést bezig zijn met het losschroeven van het navigatiesysteem, besefte mijn schoonzoon, want dat was het enige waardevolle accessoire. Het had 2.000 euro gekost, duurder dus dan de standaardsystemen. Ik kon me voorstellen dat de man niet bij zijn werk gestoord wenste te worden – hij wilde het toestel, conform zijn beroepseer, zo schadevrij mogelijk in veiligheid brengen. Bovendien is inbreker toch al een stressvol beroep en je bent niet eens verzekerd.

Maar wat deed de handlanger op de stoep? Mijn schoonzoon kan zijn verbazing nog steeds niet goed onderdrukken als hij erover vertelt. De man riep tweemaal naarboven, zonder mijn schoonzoon écht aan te kijken: „Ga toch slapen!” Het klonk als een goedbedoeld advies en ook als een terloopse rechtvaardiging, alsof hij wilde zeggen: „Doe niet zo moeilijk, wij moeten even ons werk doen, maar we zijn zo weg.”

Dat was ook zo: in enkele minuten was de zaak gepiept en renden de mannen met de buit weg. Mijn schoonzoon was zó verrast dat het niet bij hem opkwam om meteen naar buiten te stormen. Hij neemt dat zichzelf achteraf kwalijk, maar ik heb hem dit uit het hoofd proberen te praten; mijn dochter is nog te jong voor het weduweschap.

Enige buurtgenoten, die ook wat gehoord en gezien hadden, bleven eveneens binnen. Mijn schoonzoon waarschuwde de politie, maar die lieten zich niet zien. Daar zouden ze ook wel eens tegen al die lastige burgers met hun aangiften willen zeggen: „Ga toch slapen.”