‘Ik ben een uitgeperste citroen. Alleen de schil is nog over’

Strijders van het Vrije Syrische Leger (FSA) gebruiken in Aleppo spiegels om sluipschutters te spotten, 2013.Jérôme Sessini/Magnum Photos

‘Ik ben zo traag als een schildpad. Ik heb een hartoperatie gehad, rennen met een kogelvrij vest gaat moeilijk. Dat was wel anders toen ik 30 was.”

Een 77-jarige man die de oorlog in Syrië gaat verslaan. Het klinkt bizar. Alleen: de persoon in kwestie is Don McCullin, wereldberoemd oorlogsverslaggever.

Vorige week was de Britse fotojournalist in Perpignan waar, ter ere van de 25ste editie van dit festival voor de fotojournalistiek, een grote overzichtsexpositie is te zien van zijn werk. Zwart-wit beelden van conflicten in Cyprus (1964), Noord-Ierland (1971), Vietnam (1965-1968) en Cambodja (1970 -1975) wisselen zich af met foto’s van zwervers in Londen (zie cover). Beroemd werd McCullin eind jaren zestig met de schrijnende beelden van uitgehongerde kinderen in (toenmalig) Biafra en de foto van een rouwende Turkse vrouw nadat ze heeft ontdekt dat haar man is vermoord. Hij won er de World Press Photo 1964 mee.

McCullin, die met zijn derde vrouw en zoon Max in Somerset woont, was al jaren klaar met de oorlog. De afgelopen tijd hield hij zich vooral bezig met landschapsfotografie. Toch besloot hij, op verzoek van The Sunday Times, eind vorig jaar met correspondent Anthony Loyd naar Aleppo te gaan. Wat dreef hem? „Ik ben nieuwsgierig en volg nog altijd het nieuws. Ik was ineens bang dat ik langzamerhand aan het wegkwijnen was en in het niets zou oplossen.”

Vijf dagen bracht McCullin door in Aleppo waar hij op pad ging met een groep vrijheidsstrijders. „Veel te kort. Voor een goede reportage moet je ergens minstens drie weken zijn. Mijn foto’s waren teleurstellend. Het was trash.” De situatie in Syrië deed hem denken aan de Libanese burgeroorlog in de jaren zeventig. „In Beiroet liep je ook tussen de ruïnes. Alles was kapot. Maar je kon er nog wel over straat lopen. In Aleppo is het te gevaarlijk. De oppositie verschuilt zich in de huizen en schiet uit gaten in de muur. Als fotograaf duik je het ene konijnenhol in na het andere. Dat maakt het lastig om goede foto’s te maken.”

Was dit uw laatste oorlog?

„Ja. Ik ben niet fit genoeg meer. Ik heb een visum om naar Damascus te gaan, maar ik doe het niet, ik ben te moe. En ik wil thuis zijn voor mijn familie.”

In de jaren zestig was u ook al vader van drie jonge kinderen.

„Ja, ik was vaak weg. Ik deed verslag van de oorlog in Vietnam, ging naar India en Nigeria. Als ik wegging, was mijn vrouw het hoofd van het gezin, als ik terugkwam, was ik weer de vader. Het was totale gekte om heen en weer te gaan tussen die twee werelden.”

Waarom deed u het toch?

„Ik was de man die het kon. Dat klinkt zelfingenomen, maar zo bedoel ik het niet. Ik ben opgegroeid in Finsbury Park, een arme buurt in Noord Londen. We hadden het zwaar en mijn vader ging dood toen ik veertien was. Ik ben daar lang erg boos over geweest, maar door die achtergrond was ik later wel in staat om dit werk gaan doen. Ik heb een goed oog en ik kan me inleven in de mensen die ik fotografeer.”

Hoe is het om mensen te fotograferen die lijden of op het punt staan te sterven?

„Dat is een lastige kwestie waar ik nog steeds niet uit ben. Toen ik aan dit werk begon, was ik ambitieus. Ik werkte voor The Sunday Times en ik mocht overal naartoe. Ik werd langzamerhand bekend, maar wel door de tragedie van anderen vast te leggen. Die schuld is een last die ik met mij meedraag.”

Kunt u een voorbeeld noemen?

„Ik heb thuis 60.000 negatieven liggen en maak voor mijn exposities nog altijd zelf afdrukken. Als ik in de doka sta, herleef ik die oorlogen telkens opnieuw. Ik heb een vlijmscherp geheugen en weet bij elke foto nog altijd precies wat er is gebeurd. Er is één beeld dat ik niet meer durf af te drukken. In toenmalig Biafra heb ik in een opvangkamp een foto gemaakt van een uitgehongerd albinojongetje. Hij houdt een blinkend schaaltje in zijn hand dat hij heeft schoongelikt. Later legde hij zijn hand in mijn hand. Dat heeft me gebroken.”

Fotograaf Henri Cartier-Bresson heeft ooit gezegd dat er maar één woord voor uw werk bestaat: Goya.

„Hij bedoelde de gruwelijke etsen van de schilder Francisco de Goya. Mijn foto’s gaan ook over vreselijke situaties, maar ik heb mijn camera met respect willen gebruiken. Fotograferen gaat niet over kijken, maar over voelen. Veel van de mensen die ik fotografeerde keken op een zachtaardige manier in de lens. Misschien kan je niet anders als je uitgehongerd bent. Toch denk ik dat ze mijn intenties aanvoelden. Ze begrepen mijn missie.”

Is uw missie ook geslaagd?

„Ik vrees van niet. Er worden nog steeds oorlogen gevoerd. Van mij is niet veel over. Ik ben net een citroen. Alles is uit mij geperst. Alleen de schil is over.”