‘Gibraltar is een roversnest’

De Brits-Spaanse zomerruzie over Gibraltar bekoelt nog nauwelijks. Politieke en economische belangen botsen met elkaar.

Met 29.111 inwoners is Gibraltar maar een klein stadje. Toch importeerde de Britse kolonie in Zuid-Spanje vorig jaar 140 miljoen pakjes sigaretten. Hadden de rotsbewoners deze allemaal zelf opgerookt, dan zouden ze ieder 263 sigaretten hebben moeten opsteken – per dag.

„Het moge duidelijk zijn dat deze hoeveelheid niet alleen geconsumeerd wordt door de inwoners en hun bezoekers”, sneerde de Spaanse minister van Binnenlandse Zaken, Jorge Fernández Díaz, vorige maand. Hij en collega-bewindslieden strooien al de hele zomer met dit soort beschuldigingen. Gibraltar wordt afgeschilderd als smokkeloord en belastingparadijs. Een roversnest.

Sinds een Brits-Hollandse vloot hem drie eeuwen terug tijdens de Europese Successieoorlog innam heeft Madrid zijn claim op El Peñon (De Rots) nimmer opgegeven. Bijna elke nieuwsluwe zomer rakelt Spanje de kwestie wel op. Maar dit jaar bekoelen de gemoederen niet nu de komkommertijd weer afloopt.

Dit heeft deels binnenlandspolitieke oorzaken. Voor de geplaagde regering van premier Rajoy vormt geruzie met Londen een dankbare bliksemafleider voor alle nieuws over crisis en corruptieschandalen. Al wil nagenoeg geen Gibraltees bij Spanje horen, een ruime meerderheid van de Spanjaarden vindt dat de rots van hen is. Zeker de nationalistische kiezers van de rechtse regeringspartij PP.

Toen de Gibraltese regering begon met het aanleggen van een kunstmatig rif in wateren waar ook Spaanse boten vissen, ging Madrid gretig in de tegenaanval. Aan de Spaanse zijde van de grens werden extra douanecontroles ingevoerd, die de wachttijden tot wel drie uur doen oplopen. Ook opperde Madrid een tolheffing van vijftig euro.

Door de schuldencrisis bestaat er steeds minder coulance voor belastingparadijzen en fiscale sluiproutes, waardoor armlastige nationale overheden miljarden mislopen. Inspelend op dit sentiment hoopt Spanje zijn ‘onvervreemdbare’, maar in de praktijk schier kansloze, claim op Gibraltar in Brussel op de agenda te krijgen.

Gibraltar vormt een dankbaar mikpunt. De accijnzen op drank en tabak liggen er veel lager dan in de rest van de EU, evenals de omzetbelasting. BTW wordt niet geheven. Een slof sigaretten kost in Gibraltar ongeveer twintig euro, de helft minder dan in Spanje. Een literfles gin slechts zeven euro; daarvoor krijg je een glas gin-tonic in een Spaanse bar. Het eiland telt bijna evenveel BV’s als inwoners: grotendeels brievenbusfirma’s.

Rond de Baai van Algeciras bestaat al jaren een levendige smokkelpraktijk, die is toegenomen door recente Spaanse accijnsverhogingen. Jongens op jetski’s scheuren met dozen sigaretten naar Spaanse strandjes. Of ze gooien ze op onbewaakte plekken over La Verja (Het Hek, zoals de grensovergang in de volksmond heet). Vanuit grensstadje La Línea de la Concepción wordt de tabak naar het Andalusische achterland gedistribueerd.

Tot een gewapend treffen tussen de twee NAVO- en EU-lidstaten zal het niet komen, maar ook de Britse regering gebruikt steeds hardere woorden. Buitenlandminister William Hague opperde dat naast de kustwacht en lokale politie ook de Royal Navy „preventief” naar Gibraltar gestuurd zou kunnen worden.

De Spaanse regering dreigt met nieuwe maatregelen. Eind vorige maand besloot de ministerraad om ‘bunkering’ tegen te gaan. Omdat ook brandstof in Gibraltar goedkoper is, liggen voor de kust drijvende tankstations. Madrid stelt dat dit in strijd is met milieuregels in het gebied.

Paradoxaal genoeg wordt vooral Spanje zelf slachtoffer van de spanningen aan de grens. De rijen voor de douane bestaan deels uit Britse toeristen die ‘hun’ rots eens willen zien. Maar de wachtenden zijn vooral Spanjaarden die werken op Gibraltar en dagelijks pendelen. En mocht Madrid daadwerkelijk een einde weten te maken aan alle smokkel en bunkering, dan verliezen vooral Spaanse tabaksfabrikanten en energiebedrijven een afzetmarkt van miljarden euro’s. Voorlopig wegen voor de regering-Rajoy zulke economische en lokale belangen minder zwaar dan de beoogde politieke winst op landelijke niveau.