Dit is geen duurzaamheid

Er is een energieakkoord, maar is het een goed akkoord? Heleen de Coninck vindt van niet. Zo blijven grootgebruikers in de industrie buiten schot. En is duurzaamheid ver te zoeken.

Illustratie Pavel Constantin

Het energieakkoord van de Sociaal-Economische Raad (SER) dat zojuist is afgerond toont de hopeloosheid van de duurzaamheidsdiscussie in Nederland aan. Het akkoord had het bewijs moeten zijn dat polderen werkt, ook bij moeilijke beslissingen. Immers, als iedereen het eens is, is er draagvlak. Maar het resultaat laat vooral zien dat polderen bij moeilijke problemen alleen werkt als er consensus is over de noodzaak van verandering. Is die consensus er niet, dan wordt er gepolderd met tegenzin. Dat is nu ook zichtbaar: voor iedereen is het energieakkoord even slikken; niemand is er enthousiast over.

Doordat de politieke partijen in de steeds wisselende Nederlandse regeringen over energievoorziening radicaal verschillend denken, zwalkte het energie- en klimaatbeleid van ambitieus (Balkenende IV) naar desastreus (Rutte I). Dit terwijl Duitsland aantoonde dat het verduurzamen van de elektriciteitsvoorziening kostbaar is, maar wel haalbaar lijkt. Terwijl bijna de hele Europese Unie investeerde in duurzame energie, steeg het aandeel hernieuwbare energie in Nederland nauwelijks, werden besparingsdoelstellingen niet gehaald en steeg vorig jaar zelfs de CO2-intensiteit van de Nederlandse elektriciteitsvoorziening.

Hoog tijd dus voor actie. De stoere taal over energie in het regeerakkoord van Rutte II schreeuwde om een visie op energie. Een ouderwets polderproces werd opgetuigd; de verwachtingen waren hooggespannen.

Bij het inrichten van vier ‘overlegtafels’ in de SER werd duidelijk dat die van de industrie, grootschalige elektriciteitsproductie en emissiehandel de meeste problemen zou geven. Daar zijn de belangen het grootst en ligt actie het gevoeligst. Het is een compliment aan de onderhandelaars dat aan deze tafel ook de interessantste resultaten tot stand kwamen: het sluiten van de oudere kolencentrales en afspraken over hernieuwbare energie die duidelijkheid voor de komende zeven jaar geven.

De grootgebruikers in de industrie blijven echter grotendeels buiten schot. Ja, de Wet Milieubeheer wordt nu echt uitgevoerd; een wet die sinds zijn inwerkingtreding energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van minder dan vijf jaar verplicht stelt, maar die nauwelijks werd gehandhaafd. De energiebelasting wordt ook voor bedrijven verhoogd. Om deze geweldige pijn wat te verlichten krijgt de industrie afschaffing van de kolenbelasting, en in de Europese emissiehandel een waarborg van de concurrentiepositie en compensatie voor extra indirecte elektriciteitskosten.

Maar welke pijn? Besparing van energie levert de industrie vooral geld op. Voor na 2020 is er geen visie. Nu is het verloop van maatregelen in de energie-intensieve industrie afhankelijk van wat er met de Europese emissiehandel gaat gebeuren, maar als Nederlandse industrie heb je de keus: je kunt je dat laten overkomen, of je kunt je erop voorbereiden. De industrie kiest voor het eerste. Het is duidelijk: de vertegenwoordigers van de industriebelangen hebben de slag om het akkoord gewonnen.

Bij de andere ‘overlegtafels’ – over innovatie, mobiliteit en gebouwde omgeving – ging het om een duidelijk kleiner aandeel van het Nederlandse bruto nationaal product. Maar ook daar blijft veel onduidelijk.

Er zijn nogal wat factoren die een energiehuishouding beïnvloeden, maar de doelstellingen die worden gesteld – bijvoorbeeld voor energiebesparing en hernieuwbare energie – en het beleid dat wordt afgesproken om die doelstellingen te halen, zijn goede indicatoren van het ambitieniveau. Het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), die het energieakkoord doorrekenden, merken op dat het geen visie op 2050 is maar een maatregelenlijst om de doelstellingen van 2020 te halen. Zelfs daarin schiet het volgens ECN en PBL tekort. Het besparingstempo zou op de afgesproken 1,5 procent kunnen uitkomen. Ook een aandeel hernieuwbare energie van 14 procent zou in 2020 gehaald kunnen worden. Maar beide doelstellingen worden alleen in het gunstigste geval bereikt. Het langetermijndoel van 80 tot 95 procent CO2-emissiereductie in 2050 is volgens ECN en PBL ook niet onmogelijk, al „verdient het aanbeveling spoedig een innovatieagenda uit te werken”. Dat betekent: als er niet snel veel meer gebeurt, raken de doelen uit zicht of wordt het veel kostbaarder om ze te halen.

Zelfs als alles meezit moet er dus nog veel gebeuren. Wat moet er dan nog gebeuren, wat had wel in het akkoord moeten staan? Ten eerste had het akkoord aan maatregelen meer moeten invullen tot aan 2050 of op z’n minst 2030. Ten tweede had er veel meer duidelijk moeten zijn over essentiële sectoren en technologieën. Wat gaat er met CO2-afvang en -opslag gebeuren, bijvoorbeeld? Wat is de visie op de energie-intensieve industrie en op mobiliteit rond 2040? Ten derde: we hebben een beleid nodig dat niet alleen inzet op werkgelegenheid en export maar ook op een sterke innovatieve sector die zich staande kan houden op de lange termijn en onder verregaand klimaatbeleid. Met de topsectoren lijkt dat ver weg. Op deze basale punten schiet het akkoord tekort.

De welgemeende inzet van de leden van de overlegtafels kan niet wegnemen dat het voortzetten van de huidige energiehuishouding door maar weinig van de belanghebbenden als een probleem wordt gevoeld. Nederland heeft er vooral last van als het voor een duurzaam energiesysteem kiest: de overheid verliest gasinkomsten, de industrie verliest allerlei kostenvoordelen, huishoudens krijgen een hogere energierekening, autobezitters wordt het leven zuur gemaakt.

In tijden van crisis is dat extra moeilijk. De nogal gekunsteld aandoende steunbetuigingen van deelnemers aan het SER-proces spreken voor zich. Natuurlijk staan er nuttige dingen in het energieakkoord, over decentrale opwekking en windenergie bijvoorbeeld. Maar eigenlijk is niemand er echt gelukkig mee.

Er ligt een energieakkoord. Maar een duurzame energievoorziening in 2050? Die lijkt verder weg dan ooit. De les is dat, tenzij een groter urgentiegevoel de tijd rijp maakt voor een energieakkoord, je in Nederland beter niet kunt gaan polderen.