De nieuwste elektronicasnufjes als sokkels voor sculpturen

De installatie ‘Prosumer’ van David Jablonowski Foto Gerrit Schreurs

Wat zijn smartphones toch mooi. En tablets. En laptops. Totdat je ze gaat gebruiken dan en de touchscreens vettig worden. Kunstenaar David Jablonowski verheft ze tot kunstsokkel. Op zijn solotentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum steekt zo’n gloednieuwe tablet uit de muur, met daarop een abstracte sculptuur van hightech kunststof. Het ensemble van massageproduceerde materialen glanst prachtig en onbepoteld. Net zoals de elektronicareclames ons beloven.

Maar die verleidelijkheid is betrekkelijk: de volgende computermodes zullen dit werk, althans de sokkel ervan, snel inhalen. Jablonowski integreert graag de nieuwste elektronicasnufjes in zijn abstracte installaties. Daarop projecteert hij mediabeelden die te maken hebben met elektronica, productie, communicatie, internet. Soms buitelen screenshots over elkaar in stroboscoop-achtige effecten – niet geschikt voor epileptici. Echte materialen en kleuren zet hij naast die van fictieve computerbeelden. Het is de vraag hoe we over tien jaar tegen zijn werk aankijken: hopeloos verouderd?

Jablonowski’s tentoonstelling bijt het spits af van een samenwerking tussen het Gemeentemuseum en De Ateliers, de postdoctorale opleiding waar afgestudeerde kunstenaars zich vooral theoretisch verdiepen. Drie jaar lang geeft het Gemeentemuseum een eerste museale solo aan een kunstenaar die De Ateliers heeft doorlopen.

Jablonowski (1982) bevestigt het beeld van de De Ateliers-kunstenaars met een conceptuele kijk op de wereld. Hij bouwt met geometrische vlakken en blokken zoals een beeldhouwer dat doet, en combineert ze met schokkerige filmpjes van internetbeelden. Zo combineert hij twee tijdperken. Hij is op zijn plek in dit Gemeentemuseum met al zijn historie. Zijn werk heeft iets weg van zowel De Stijl als van de Zero-beweging uit de jaren zestig, nu ook in een expositie in het museum te zien. Ook in die jaren heerste een materiaalliefde, van Gunther Uecker voor spijkers, van Manzoni voor glaswol, van Yves Klein voor goudfolie. Die kunstgeschiedenissen echoën vooral door in Jablonowski’s zaalvullende installatie Prosumer: een geometrische stapeling van liggende marmerplaten, hangende plastics en staande staalobjecten. De videoprojecties en geluidsfragmenten die hier doorheen glinsteren en galmen geven het geheel een bijna sacrale uitstraling – museumwaardig.

Maar er zijn verschillen. De Stijl dacht met geometrische harmonieën een betere wereld te kunnen ontwerpen, Zero viel voor de schoonheid van het alledaagse. Jablonowski is geliefd om hoe hij beeldhouwkunstige tradities samenbrengt met een fascinatie voor de wereld van nu. Maar in deze tentoonstelling slaagt hij er niet in om zijn conclusies aannemelijk of doorzichtig te maken. De museumbezoeker moet maar net zo geroerd raken door materialen als hij, of begrijpen waarom hij een zeventiende-eeuws klavecimbel tussen zijn sculpturen neerzet. Zodoende heeft zijn tentoonstelling toch iets onbevredigends, het blijft steriel en in zichzelf gekeerd.