Trouwen om de kamelenmelk

Neef-nichthuwelijken zijn overal een uitzondering, behalve in het Midden-Oosten Dat ligt aan het vermogen om kamelenmelk te verteren, beweert een historicus Het gen moest in de familie blijven

foto corbis

redacteur sociologie

De uitgesproken voorkeur voor huwelijken tussen neven en nichten in het Midden-Oosten is ontstaan als aanpassing aan het woestijnmilieu van het Arabische schiereiland. Arabische kameelbedoeïenen, zo ontdekte historicus Benjamin Reilly (Carnegie Mellon University, Qatar), ontwikkelden een voorkeur voor dit type huwelijk, omdat daardoor hun tolerantie voor melksuiker in stand bleef. Zo konden ze in de waterloze woestijn overleven op de melk van hun kamelen. Hij publiceert zijn onderzoek in het tijdschrift American Anthropologist van september.

Huwelijken tussen neven en nichten zijn bijna overal in de wereld een uitzondering – het mondiale gemiddelde ligt rond de 10 procent – behalve in het Midden-Oosten. Daar zijn ze niet alleen geoorloofd, ze zijn er zelfs favoriet. In Saoedi-Arabië heeft 57 procent van de echtparen tenminste één gemeenschappelijke grootouder; in Irak 33 procent en in Iran tussen de 30 en 40.

Wetenschappers zoeken al lang naar een verklaring voor deze Midden-Oosterse voorliefde voor het neef-nichthuwelijk. Ze wezen vooral op politieke en economische voordelen. Verwantenhuwelijken versterken de clanbanden, ze zijn goedkoper door een lagere bruidsprijs en de bezittingen blijven binnen de familie. Maar die voordelen zijn niet alleen van toepassing op het Midden-Oosten en verklaren niet de opvallende voorkeur die juist daar bestaat.

En neef-nichthuwelijken hebben biologische nadelen. Volgens een onderzoek uit 2009 ligt de prenatale en kindersterfte bij neef-nichthuwelijken 3,5 procent hoger dan bij huwelijken tussen niet-verwanten. De voordelen moeten dus wel groot zijn willen ze hiertegen opwegen. Bij kameelbedoeïenen, schrijft Reilly, wáren ze dat ook. Tot diep in de 20ste eeuw, toen de meesten hun nomadenbestaan opgaven.

Zo’n 4.500 jaar geleden kwam op het Arabisch schiereiland een einde aan een langdurige natte periode (6500-2500 voor Chr.) en viel er voortaan nog maar 2,5 cm regen per jaar. Daardoor was het gebied, op enkele oases na, alleen nog geschikt voor het weiden van kamelen, schapen en geiten. Genetisch onderzoek wijst uit dat de genvariant G-13915, die codeert voor het enzym dat melksuikers (lactose) kan verteren, rond 2500 voor Chr. opdook in de bevolking van Arabië, vijf eeuwen na de domesticatie van de kameel.

De genvariant voor lactosetolerantie oefende de grootste selectiedruk uit op kameelbedoeïenen. Kamelen kunnen wel tien dagen zonder water. Kameelhouders verwijderden zich met hun dieren langere tijd van waterbronnen en waren dan aangewezen op kamelenmelk voor vocht en voedsel. Wie van de groep de genvariant voor vertering van lactose niet had, kreeg van die melk ernstige diarree, kwam om door uitdroging of moest het nomadenbestaan opgeven. Die selectiedruk werkt niet op schapen- en geitenhoeders. Deze dieren kunnen niet langer dan een dag zonder water, hun eigenaren blijven dus in de buurt van bronnen en overleven ook zonder de melk van hun vee te drinken.

De Arabische kameelhoeders wisten niets van genen en lactosetolerantie. Ze schreven het vermogen om in de woestijn te overleven toe aan ‘zuiver bloed’. Alleen wie daarover beschikte – neven en nichten of leden van naburige kamelenhoudende groepen – kwam in aanmerking als huwelijkspartner. Schapen- en geitenhoeders, (zwarte) slaven, handwerkslieden en andere stedelingen werden geacht ‘niet van zuiver bloed’ te zijn. Het Arabisch schiereiland was duizenden jaren een doorgangsgebied van handelaren en legers uit aangrenzende streken, waar het gen G-13915 vaak ontbrak. De huwelijksstrategie van de kameelbedoeïenen van Arabië hield hun lactosetolerantie in stand.

De voorkeur van bedoeïenenmannen voor de dochter van vaders broer als partner, een pre-islamitische traditie, raakte in zwang in het hele Midden-Oosten toen de jonge islam razendsnel expandeerde dankzij de Arabische ruiterij. Zeker in de eerste eeuwen van de islam stonden de Arabische bedoeïenen in hoog aanzien en gold hun leefwijze als voorbeeldig. En al is er een einde gekomen aan hun nomadische bestaan, telgen uit oude bedoeïenenfamilies houden vast aan hun huwelijkstradities.