Samir heeft veel vrienden

Het is 2013, er zijn nu duizenden Samirs. De radicale islam zou alle politici zorgen moeten baren, aldus Arjan Erkel.

Illustratie Angel Boligan

Samir A. – door velen gezien als het prototype terrorist – loopt sinds vrijdag weer vrij rond. Menigeen vraagt zich af of hij nog steeds gevaarlijk is. Velen stellen zich gerust met de gedachte dat justitie hem in de gaten zal houden.

Ik ben daar minder gerust op en maak me ook zorgen over al die andere radicalen. Samir is namelijk niet de enige die er een orthodox islamitisch gedachtengoed op nahoudt. Het aantal salafisten en wahabisten groeit, vooral onder tieners en twintigers.

Was Samir in 2003 nog een van de weinigen die ten strijde wilde trekken, de huidige Syriëgangers zijn niet te tellen. De radicale islam staat haaks op wat Nederland karakteriseert. Verdraagzaamheid voor andersdenkenden, gelijke rechten voor vrouwen en homoseksuelen, naleving van mensenrechten en het discriminatieverbod – radicale moslims verachten het.

Nederland heeft zich ontwikkeld tot een land waar men zich in vrijheid kan uiten. Zwarte kousen, bikini’s, burka’s - dit alles past net zo goed in het straatbeeld als schaars geklede homo’s op boten. Niet iedereen juicht erbij, maar we accepteren wel andermans vrijheid. Het gaat er niet om of je islamkritiek ziet als islamofobie, feit blijft dat radicalisme een afgeleide is van intolerantie. Het kan overslaan naar jihadisme en geweld. Niet alleen ter verdediging, maar ook als reden om aan te vallen. We kennen in Nederland de moord op Theo van Gogh als terroristische daad. In Madrid en Londen zijn ze de aanslagen op trein en metro nog niet vergeten. Elke dag kunnen we zien hoe jihadisten zich in Syrië te buiten gaan aan schendingen van mensenrechten, geweldsplegingen en een totale onverdraagzaamheid tentoonspreiden voor andersdenkenden. Terwijl hun leer juist gebiedt ruimte te geven aan joden en christenen. Natuurlijk zijn de inlichtingendiensten constant bezig om radicale moslims, hun gedrag en gedachtengoed in kaart te brengen. Ook zijn er allerlei instanties druk met het weer ‘bekeren’ van radicale jongens tot keurige burgers. Goed werk, maar blijkbaar niet voldoende. Het mensenrechtenverdrag, Grondwetsartikel 1, het immigratiebeleid, cultureel relativisme – belangrijke zaken, maar ze maken ons ook kwetsbaar voor mensen met kwade bedoelingen. Zoals radicale moslims die naar Nederland komen als huwelijkskandidaat, student, asielzoeker of werknemer.

Daar komt bij dat landen als Koeweit, Oman en Saoedi-Arabië hier moskeeën en een islamitische leerstoel financieren. Dit terwijl deze landen toch moeilijk als voorbeeldlanden kunnen worden gezien. Het gevaar komt overigens niet alleen van geradicaliseerde jongeren. Overheid, politici en het sociale middenveld spelen een bedenkelijk naïeve rol. Zij kijken weg van excessen of weigeren deze onder de noemer ‘vrijheid van godsdienst’ te adresseren, terwijl juist hun achterban er het meeste last van heeft. Andere partijen vinden het niet salonfähig radicalisme als een probleem te behandelen. Veel politici en het sociale middenveld geloven graag dat radicalisme vooral een sociaal-economisch probleem is. Ze gaan voorbij aan de factoren die zorgen voor de aanzuigende kracht: groepsdynamiek, romantiek, broederschap, imago, goedkeuring van geweld. En de drang de wereld te verbeteren conform een ideaaltypisch beeld. Een ideaal dat ze hartstochtelijk nastreven, maar waar we in Nederland echt niet op zitten te wachten. Hierbij wil ik graag de woorden van William James, een Amerikaanse filosoof, citeren: ,,Het verschil tussen een goed en slecht mens wordt bepaald door de zaak waarvoor hij zich inzet.” Honderdduizenden moslims hebben hun draai in Nederland kunnen vinden. Ze zijn geïntegreerd, bouwen aan onze toekomst en genieten van vrijheden die ze in hun thuislanden ontberen. Het gaat mij dan ook niet om een strijd tegen de islam. Er is geen algemene islam. Het gaat mij om het besef dat er wel degelijk een gevaar heerst. Om het besef dat Samir niet de enige is. Om het besef dat onze vrijheden worden uitgehold. Lijdzaam slaan we het gade, terwijl de radicalen ons uitlachen. Ik zou graag zien dat we het gevaar van radicalisme eens op een neutrale, wetenschappelijke manier in kaart brengen. Emoties, vooroordelen, religieuze en politieke gezindheid zouden geen rol moeten spelen in de beoordeling en aanpak van radicalisme. Actie is dringend vereist. Dit vergt niet alleen de moed om zaken te durven benoemen, maar wellicht ook een herijking van verdragen en wetten – we kunnen ons niet blijven verschuilen achter godsdienstvrijheid en andere mensenrechtenverdragen. Het vergt ook een visie op hoe we onze toekomstige samenleving willen zien en wie daaraan mee mag bouwen.

Radicalisme is radicalisme en moet als zodanig worden aangepakt. Politieke partijen moeten ervoor waken dat we niet kwijtraken wat we koesteren door angst voor het verlies van stemmen of een hang naar cultuurrelativisme. De zorg voor het eventuele verlies van vrijheden moet zwaarder wegen. Samir is niet alleen.