Reismand

Een jonge man zocht een zitplaats in de trein naar Nijmegen. Het was nogal vol in de tweede klas en hij leek dan ook blij met de plek die een zwartharige vrouw naast zich vrijmaakte. Ze tilde een kattenreismand naar het tafeltje bij het raam. „Ik moet wel even waarschuwen”, zei ze, „want er zit een kat in.”

„Goed dat u dat zegt”, zei de man, „ik ben allergisch voor katten.” Hij mompelde nog iets verontschuldigends en maakte zich uit de voeten. Het monster dat hem jeuk of eczeem had kunnen bezorgen, ging volledig schuil achter een zwart netwerkje van nylon gaas.

„Handig reismandje”, zei een vrouw die er tegenover zat.

„Ja, het bevalt me nog steeds”, zei de kattenvriendin met een zuidelijk accent. „En de kat zelf ook. Het is een van haar favoriete slaapplaatsen. Ze heeft een moeilijke tijd achter de rug met zware operaties. Steeds moest ik haar in dit mandje naar de dokter vervoeren, dus je zou denken dat ze er niets meer van moest hebben.”

Ik zat een paar stoelen verderop naar de vrouwen te luisteren. Wat me boeide was de bezieling waarmee de vrouw over haar kat praatte. Het was niet haar huisdier, het was haar kind. „Ik zou haar niet graag missen”, vertelde ze. „Dat geldt niet alleen voor kattenbezitters. Mijn zus heeft een hond en gaat dit jaar niet op vakantie omdat ze het niet over haar hart kan verkrijgen om hem bij andere mensen achter te laten. Zelfs niet voor een week!’”

De andere vrouw glimlachte toegeeflijk. Ze vond het misschien een beetje maf, maar wilde het niet laten blijken.

„Zit je lekker” vroeg de kattenvriendin aan de reismand. „Ja toch?” Er kwam geen antwoord. Katten geven lang niet altijd antwoord als ze iets gevraagd wordt, het zijn net politici die bij een regeringspartij horen.

„Waar ik werkelijk niet goed tegen kan”, vervolgde ze tegen de vrouw tegenover haar, „dat zijn die katten die verloren raken. In de Jordaan waar ik woon, stikt het van de aanplakbiljetten met vermiste katten. Die van mij is ook een paar dagen zoek geweest, ik wist me geen raad, ik heb al die dagen gehuild…Alles heb ik afgezocht. Toen adviseerde iemand me dat ik ’s morgens om een uur of vier, vijf naar buiten moest gaan om haar te roepen. Dan is het overal stil en hoort ze je beter.

„En ja hoor, ik hoorde haar algauw miauwen. Er zaten enkele huizen tussen, dus ik ben via dakgoten naar haar toe gekropen, tussen spinnen en allerlei ongedierte door waar ik normaal bang voor ben. En daar zat ze, diep beneden tegen de muur van een binnenplaatsje. Ze bleef miauwen, want ze herkende me vast, maar hoe kreeg ik haar naar boven? Ik kon moeilijk de buren midden in de nacht wakker bellen. Eerst heb ik het geprobeerd met een paar lakens die ik aan elkaar gebonden had. Geen sjoege. Toen heb ik bij buren een ladder uit de tuin gehaald en die naar beneden laten zakken. Maar ze durfde er niet op.”

Ze haalde adem. Ik ook, want het werd spannend en ik zag niet zo gauw de oplossing. „Toen schoot me iets te binnen wat ik ooit in de film heb gezien. Ik haalde thuis haar reismandje en liet dat voorzichtig zakken. Geen probleem! Ze stapte zonder aarzelen naar binnen en liet zich naar boven halen alsof het een lift was. Dat beeld zal ik nooit meer vergeten: die kat die zonder protest in haar mandje stapt.”

Die film moet Rear Window van Hitchcock zijn geweest. Daar was het een hondje.