Mijn blik op de wereld mag wat roze zijn Romantiek en sociaal-politieke observaties

Optreden Gregory Porter in LantarenVenster, Rotterdam 2012.Foto Andreas Terlaak

Een smoezelig papiertje naast de bel, een gammele lift naar boven. Op de derde verdieping in het New Yorkse studiocomplex auditeren dansers en musici voor een musical. Nog hoger bevindt zich de roemruchte Sear Sound Studio met de klassieke studio C in huiskamersfeer: parketvloer, oosterse tapijten, een vleugel en planten vooreen hoge raampartij. Blikvanger is de indrukwekkende collectie vintage analoge opnameapparatuur. Artiesten als Patti Smith, Steely Dan, Paul McCartney en legio jazzmusici als Wynton Marsalis en Cassandra Wilson namen er albums op.

Het is eind maart in Midtown West op Manhattan. Jazzreus Gregory Porter, wiens bebaarde gezicht om nooit onthulde redenen altijd nauw omsloten is door skicap en pet, zingt met grote intensiteit en een rijke, diepe stem in de microfoon. Pianist Chip Crawford begeleidt op de vleugel. Aan de knoppen achter het studioraam houdt topproducer Brian Bacchus even de adem in. Neem de eloquente ballade Wolfcry, op zijn inmiddels verschenen cd Liquid Spirit. Dat liefdeslied over misbruik, overgave en vertrouwen bevat technisch gezien heel wat valkuilen. Maar Porter weet wat hij doet. De zanger kan timen en stuurt zijn baritonstem, die zijn diepte ooit door een zware bronchitis heeft gekregen, met een heldere dictie behendig door buikberoerend lage noten.

Over de inhoud van het liedje dacht hij lang na: als personificatie van een soort Superman van de jazz schiet hij door de lucht als een vrouw om hulp roept na misbruik door een man. De ik-persoon biedt een schouder, en uiteindelijk ook liefde. „After I have saved you, and gathered al the pieces of your heart. That’s when it starts. Then you gain your confidence. And leave your innocence and vulnerability with me.”

„Ik heb hiermee geworsteld”, zegt Gregory Porter, een dag na de cd-opnames in het buurtcafé van zijn wijk Bedford-Stuyvesant in Brooklyn. „Want ja, ik schiet haar manmoedig te hulp. Maar ik wil daar heus niet mee uitsluiten dat zij een sterke vrouw is. Heus, ik denk daar gelijkwaardig over. Er huist echter een mechanisme in mij: al op de speelplaats hielp ik meisjes die op hun knieën vielen. En toen al waren er genoeg die helemaal niet geholpen wilden worden.”

Goedgeklede jazzcats

De opnames gingen goed, knikt de zanger. De helft van zijn album met veertien liedjes staat inmiddels op band. Steeds weer zingt hij de liedjes op ander manieren – „moddervet of skinny” – in. Het toont maar hoe opnames slechts ‘snapshots’ zijn, die de volgende dag weer anders zouden klinken.

Na twee albums op een klein label maakt Gregory Porter, de in Californië opgegroeide Amerikaanse zanger die in 2010 uit het niet leek te komen met een Grammy-nominatie voor beste jazzvocalen, zijn entree bij het eminente jazzlabel Blue Note. Hij toont zich er danig van onder de indruk. Meteen begint hij over platenbaas Don Was die kwam gisteren kwam luisteren en bemoedigende woorden sprak. En dat hij als tiener al tweedehands platenwinkels langs ging; alles wilde hij hebben van dat label van de groten in de jazz. „Ik werd aangetrokken tot zowel het mooie artwork – wat waren die jazzcats goed gekleed – als tot de muziek. Van Coltrane tot Donald Byrd. De hardbop, de bebop; ik hoorde er de gospeltraditie, de zwarte kerk van mijn grootvader in terug.” Hij bedacht: „Als ik het ooit tot dát niveau schop, wil ik dat weten bij het schrijven van liedjes.” Maar de liedjes waren al af toen hij werd getekend bij Universal Jazz France. Door de fusie van Universal Music met labelgrootmacht EMI rees daar het idee de zanger uiteindelijk bij de jazztak Blue Note voor te dragen.

En wat een terechte juiste plek voor deze innemende muziekpersoonlijkheid, een groots en geraffineerd vertolker die bij elk concert weer zijn zowel soulvolle als bezielde zangkwaliteiten tentoonspreidt. Opzwepend of romantisch zwierend. „Soms wil men veel energie, soms wil men juist melodisch en rustig”, zegt Porter. „Al ik eenmaal weet welk publiek ik voor me heb, en als er dan niets in de weg zit van communicatie met de mensen, als dat gebeurt, mán – wauw.”

Jazz, soul, funk en gospel vervloeien bij de zanger, die ooit professioneel footballspeler zou worden maar door een schouderblessure de sportdroom moest opgeven. Porter maakt geen keuze tussen genres, en mengt en verbindt middels vocale kracht en souplesse. „Als ik iets dieps en persoonlijks wil zeggen komt het er lyrisch uit, met vocalen aan de piano. Heb ik een echt statement te maken, met een politiek randje, dan moet het met een sterke beat en wat blazers. Komt er iets slims poëtisch uit dan beweegt het in een organische vorm, begrijp je.”

Steeds weer water

Nu de nieuwe cd Liquid Spirit af is valt op hoe Porter de lijn doortrekt van zijn vorige cd Be Good: meeslepende, van gospel en soul doordrenkte jazz waarin klanken uit het verleden weerspiegelen, en sprekende uptempo liedjes als Free, met hints uit jaren zeventig-soul en opwindende dialogen. Porter toont affiniteit met zangers als Bill Withers en Nat King Cole. Nog steeds speelt hij met muzikanten die hij ontmoette bij jamsessies in St Nik’s pub in Harlem, zoals pianist Crawford.

Opmerkenswaardig is hoe Porters werk steeds weer verbonden wordt door het thema water. Letterlijk, als in de cd-titels Water en Liquid Spirit, maar ook in zijn teksten komt water steeds weer voor. „Ik weet niet wat het is”, zegt hij. „Maar ja, metaforisch en in dubbele betekenissen prikkelt water mijn verbeelding. In het reizen, de bewegen, de liefde en noodzaak, in verandering. In de titel Liquid Spirit huist ook spirituele verbeeldingskracht, de toegang tot de geest; voor mij cultuur, liefde, muziek. Ik zeg: laat het stromen waar het wil gaan, in plaats van gecontroleerd.”

Ook al schrijft hij veel verdriet van zich af, zoals over zijn vader die hij amper kende en het verlies van zijn moeder op zijn 21e, altijd heeft optimisme in Porters liedjes de overhand. „Zie je die wandschildering met die jonge mensen”, wijst hij in Brooklyn. „Allemaal gestorven. De buurt was een van de gevaarlijkste van New York. Een paar blokken verder zie je er nog een: een klein jongetje ving de kogel van een drugsdealer. Ik kwam hier zeven jaar geleden uit Californië wonen. Ik groette de mensen op straat, mijn broer had hier een koffietentje. ‘Wat lach je nou’, kreeg ik dan te horen. Je moet jezelf beschermen hier. In het liedje voor mijn zoon zeg ik ‘He told the meek that they should try, to use the sword to smite the lie, that being kind is for the weak.’”

In No Love Dying rekent hij af met symbolen van volksbijgeloof. Hoe de dood zich aan kan kondigen, volgens sommige culturen, wanneer een vogel een raam binnenvliegt. Of de Aziatische vrees voor het even getal van vier bloemen in een vaas. Of een spiegel die zomaar van de muur valt. „Ik ben als mijn moeder, probeer steeds weer een positieve draai te geven aan het leven. De vogel had gewoon zijn vleugel gebroken, de spiegel hing aan een roestige spijker. Mijn blik op de wereld mag wat roze zijn ja. Is dat erg? Ik weet ook, als donkere wolken zich samentrekken boven je leven, dan is daar weinig aan te doen.”

Ook in When Love Was King, een jazzballade die begint als sprookjesvertelling voor zijn zoontje, heeft zijn optimisme overhand. In het nummer („Er was eens een koninkrijk ver weg, waar liefde de regel van de dag was”) vervlecht hij herinneringen aan zijn moeder en de wensen voor zijn jongen. „Ik houd van verhalen uit het echte leven. En tegelijk wens ik mijn zoon toe dat racisme, economische en financiële zorgen hem bespaard blijven. Hij zal hopelijk begaan zijn met anderen, zoals mijn moeder dat was. Zij was zó onbaatzuchtig en barmhartig, ze gaf alles weg wat we konden missen. Mijn beste schoenen kon ik uittrekken voor een arme jongen met grote gaten in zijn schoen. De waanzinnige witte trui van de Dallas Cowboys die ik had voor mijn eerste schooldag... Ze gaf ’m weg. Als kind vond ik dat vreselijk. Nu vind ik dat goud.”

Een paar maanden later is Porter even in Rotterdam. Vlak voor zijn optreden op het North Sea Jazz Festival met het Metropole Orkest vertelt hij over het moordende tourschema van deze zomer, en de interviews in marathonsessies die hij zich met een wonderlijk geduld laat welgevallen. „Ik zie het als een soort therapie; het helpt je uitzoeken wie je bent en vooral wat wil je eigenlijk wilt zeggen met een liedje.”

Achteraf bezien, komt Porter nog even terug op zijn verbintenis met Blue Note, zou de muzikale erfenis van het roemruchte jazzlabel „als een blok beton” op hem neer kunnen zijn gevallen. „Ik zou zeker zijn verkrampt. De angst over mijn persoonlijke teksten en mijn stijl die buiten de genres om gaat zou het hebben overgenomen. Ik had mij waarschijnlijk helemaal niet vrij en eerlijk weten te uiten.

„Overigens, ik ben mijn collectie Blue Note-elpees kwijtgeraakt door gestrande relaties waarin ik te makkelijk ben geweest. Ik nam mijn hart en liedjes wel mee. Hield zij de stereo en de elpees.”

Gregory Porter: Liquid Spirit (Blue Note). Concerten: 12/10 So What’s Next Festival, Eindhoven; 13/10 De Doelen, Rotterdam. 14/10 Concertgebouw, Amsterdam; 15/10 Oosterpoort, Groningen; 16/10 De Vereeniging Nijmegen.