Lagere prestaties in online onderwijs

Online hoger onderwijs zou de toekomst zijn. Maar studenten die online studeren halen lagere cijfers, als ze het al volhouden. Terwijl ze er gemotiveerder aan begonnen. Het systeem moet nog worden flink verbeterd.

Gaan universiteiten nog wel investeren in nieuwe grote collegezalen, vroeg minister Jet Bussemaker (Onderwijs, PvdA) zich vorige week hardop af bij de opening van het academisch jaar op de Erasmus Universiteit Rotterdam. Kan dat geld niet beter worden gebruikt om online colleges en online feedback van docenten te ontwikkelen? En ook volgens veel andere mensen lijkt online hoger onderwijs de toekomst.

Maar vooralsnog laat de kwaliteit van online onderwijs te wensen over, concluderen onderzoekers van Columbia University, New York, in een artikel dat binnenkort in Economics of Education Review verschijnt. Zij vergeleken de studie-uitkomsten van studenten die online studeerden en studenten die face-to-face dezelfde vakken volgden aan de 34 ‘community colleges’ (2-jarige, hbo-achtige opleidingen) in de staat Washington. Ze ontdekten: de studenten die ervoor kozen de vakken online te volgen, waren gemiddeld beter voorbereid en beter gemotiveerd, maar stopten er desondanks vaker mee. Een vak online volgen in plaats van face-to-face verlaagde de kans dat een student volhield van 95 tot 88 procent. En de online-studenten die volhielden, hadden lagere eindcijfers: gemiddeld een 2,52 tegenover de 2,85 van face-to-face studenten (op een beoordelingsschaal van 0 tot 4).

De onderzoekers richtten zich op betalende eerstejaarsstudenten die van plan waren om na het community college bij een vervolgopleiding een bachelor te halen. Ze volgden ruim 18.000 studenten die meer dan 125.000 vakken volgden (circa 22 procent online) van 2004 tot 2009. In die periode is misschien wel geprobeerd om het online onderwijs te verbeteren, maar dan was dat niet effectief: het verschil tussen online en face-to-face studeren bleef ongeveer gelijk. Uit eerder onderzoek was al bekend dat juist bij kwetsbare groepen het verschil tussen online en face-to-face studeren groot is: de slechtere studenten en studenten uit minderheidsgroepen.

Misschien moeten online studenten wel apart les krijgen in time management en in onafhankelijk studeren, suggereren de onderzoekers. In elk geval moet eerst aandacht worden besteed aan het verbeteren en dan pas aan het uitbreiden van het online onderwijs, schrijven ze. Op community colleges, die circa 80 procent van de Amerikaanse universiteiten en hogescholen uitmaken, worden de docenten amper ondersteund in het ontwikkelen van online vakken.

In de Verenigde Staten vindt online hoger onderwijs al op grotere schaal plaats dan in Nederland. De elite-universiteiten timmeren ermee aan de weg. Zij zetten ook colleges en ander studiemateriaal online onder de noemer MOOCs, Massive Open Online Courses. Daar kan iedereen aan meedoen. Spin-off bedrijfjes Coursera en Udacity proberen geld te verdienen met het produceren van cursussen voor de topuniversiteiten; Harvard en MIT hebben het non-profit bedrijf edX opgericht, dat ook online studiemateriaal produceert.

In Nederland is online onderwijs eveneens sterk in opkomst. Er gebeurt momenteel zoveel, aldus een woordvoerder van de vereniging van universiteiten VSNU, dat het moeilijk is de stand van zaken weer te geven, want die is zó weer achterhaald. Verschillende universiteiten zetten gefilmde colleges op internet of beginnen met MOOCs; Delft en Wageningen starten respectievelijk dit jaar en volgend jaar met het aanbieden van online vakken voor betalende studenten. Voor de tentamens moeten die studenten dan nog wel komen.

Volgens de onderzoekers van Columbia zijn beleidsmakers vooral geïnteresseerd in online onderwijs omdat het kosteneffectief lijkt. Maar daar is nauwelijks onderzoek naar gedaan en het is dus onduidelijk of het wel zo goedkoop is als sommigen denken. Cursussen moeten toch helemaal opnieuw ontwikkeld worden; gefilmde hoorcolleges van anderhalf uur op het internet zetten is niet genoeg.

Vorig jaar bleek uit een rondgang langs Amerikaanse universiteiten van verschillende kwaliteit dat ze online-onderwijs meer als service aan de studenten zagen dan als kostenbesparing.

Ook los van kosten en kwaliteit begint er in de Verenigde Staten de laatste tijd nogal wat kritiek te komen op online universitair onderwijs, zoals bijvoorbeeld blijkt uit een artikel dat The New Yorker er in mei aan wijdde. Op sommige universiteiten vreest men dat de online colleges van topuniversiteiten het onderwijs in het hele land gaan domineren. Dat leidt niet alleen tot eenvormigheid; de kleinere colleges zouden dan ongetwijfeld ook personeel gaan ontslaan. Kostenbesparend, ten koste van banen en onderzoek. En de online studenten krijgen dan weliswaar toegang tot elite-onderwijs, maar niet tot de elite. Als Bill Clinton online onderwijs had gevolgd in plaats van naar Oxford en Yale te gaan, was hij vast geen president geworden.