In Afrika hebben ze geen trek in een Strafhof dat alleen dáár kijkt

Kenia zegt zijn lidmaatschap van het Internationale Strafhof op. Afrikaanse landen die eerst vóór zo’n hof waren, doen de deur dicht zodra inspecteurs in hun keuken willen kijken

‘Als twee olifanten vechten dan lijdt het gras’, luidt een Afrikaans gezegde. Het is typerend voor de Keniaanse strijd tegen het Internationaal Strafhof (ICC). Vanaf morgen moet vicepresident William Ruto zich in Den Haag verantwoorden voor een reeks misdaden tegen de menselijkheid. Afgelopen donderdag besloot Kenia echter zijn lidmaatschap van het ICC op te zeggen. Dit politieke en juridische getouwtrek overstemt de grieven van de slachtoffers.

Ruto staat terecht voor zijn rol in het geweld dat volgde op de omstreden verkiezingsuitslag van december 2007. Ruim 1.100 Kenianen werden toen gedood, honderden vrouwen verkracht en duizenden burgers uit hun huizen verdreven. President Uhuru Kenyatta is in november aan de beurt.

Nairobi probeert sinds 2010 de processen te stoppen en verschool zich achter een nieuwe grondwet en een mislukte waarheids- en verzoeningscommissie. Beloftes om zelf een tribunaal op te richten werden niet waargemaakt. Uit wanhoop stapt Kenia nu uit het Strafhof. Maar veel betekent dat niet, de processen tegen Ruto en Kenyatta zullen gewoon doorgaan. Het Statuut van Rome heeft namelijk een opzegtermijn van één jaar en alle openstaande procedures moeten worden afgerond. Tegen wil en dank zal het duo dus moeten blijven meewerken. Vanuit een cel in Scheveningen kunnen ze bovendien onmogelijk een land besturen.

Politiek is er in Afrika wel wat te halen in het verzet tegen het Strafhof. Zo wonnen Kenyatta en Ruto hun verkiezingsstrijd onder het motto ‘Referendum tegen het Strafhof’. Het duo krijgt bijval van Afrikaanse collegae. De Oegandese president Yoweri Museveni prees tijdens Kenyatta’s inauguratie Kenia’s ‘verwerping van de chantage’ van het ICC, terwijl Rwanda onderstreepte dat het hof de soevereiniteit van Afrikaanse landen niet respecteert.

De kritiek komt niet uit de lucht vallen. Het Strafhof opereert alleen in Afrikaanse conflictgebieden en klaagt alleen Afrikanen aan. Er lopen onderzoeken naar genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden in negen landen. Maar dat gebeurt omdat de overheden daar geen processen kunnen of willen voeren. Alleen dan mag en kan het Strafhof interveniëren: als laatste strohalm. De Afrikaanse beoordeling dat het ICC een neokoloniaal instrument voor regime change is, is te simpel.

De huidige weerstand komt vooral voort uit de onwil verantwoording af te leggen voor grootschalige mensenrechtenschendingen. De huidige elite ziet in dat ze het internationaal recht niet langer opportunistisch kunnen inzetten. Tijdens de oprichting van het ICC eind jaren negentig werden Afrikaanse landen en masse lid. Niet altijd uit idealisme. Regeringen zagen een mogelijkheid rebellen en politieke tegenstanders te verbannen naar Scheveningen. Niet voor niets vroeg Museveni het ICC achter Joseph Kony aan te jagen. Joseph Kabila en Francois Bozize deden het zelfde kunstje in de Democratische Republiek Congo en de Centraal Afrikaanse Republiek. Maar zodra het tij zich keert en de aanklager besluit om ook hun keukens te inspecteren gaan alle deuren dicht.

Toch is de Afrikaanse opstelling niet vreemd. Zo internationaal is het Strafhof namelijk niet, daarnaast hebben enkele niet-leden grote invloed. Zo kunnen de VS, Rusland en China als permanente leden van de VN Veiligheidsraad conflictsituaties naar het Strafhof verwijzen. Ook als dit landen betreft die het hof niet erkennen. Tot nu toe gebeurde dat met Soedan en Libië. Dat Israël of Syrië er nog naar verwezen zijn, spreekt boekdelen. In 122 andere landen mag de hoofdaanklager wél op eigen houtje ingrijpen. Fatou Bensouda deed dat na het verkiezingsgeweld van 2010 in Ivoorkust, haar voorganger Luis Moreno-Ocampo in Kenia.

Waarom tot nu toe alleen in Afrika? Dat komt omdat niet elke geweldsuitbarsting in aanmerking komt. Voordat de aanklager tot vervolging overgaat moet zij een lijst criteria aftikken. Is er sprake van genocide, misdrijven tegen de menselijkheid of oorlogsmisdaden? Zijn deze gepleegd na 1 juli 2002? Zijn ze gepleegd in een lidstaat of door een persoon uit een lidstaat? Worden de misdrijven al onderzocht of vervolgd? De laatste twee vragen zijn minder ondubbelzinnig: zijn de misdaden erg genoeg en is vervolging ‘in het belang van het recht’?

Slechts acht van de achttien vooronderzoeken leidden tot zaken. Drie landen kwamen niet door de voorrondes. Er was geen rechtsmacht over Amerikaanse misstanden in Irak, het geweld in Venezuela viel buiten de definities en de Palestijnse gebieden vielen buiten bereik omdat het geen land betrof. Zeven andere gevallen worden nog bekeken. Een niet-Afrikaanse zaak is goed voor het imago van het ICC als Wereldhof. Voor Afrika komt dat te laat. Zeker als het Keniaanse voorbeeld wordt gevolgd. De Afrikaanse Unie (AU) kiest al zijn eigen weg. Het bezint zich op de oprichting van een strafkamer bij het Afrikaanse Hof voor de Mensen- en Volkeren Rechten (ACHPR). Maar deze tandeloze rechtbank in Tanzania is nog geen alternatief voor het Strafhof.

Intussen is er wel degelijk hoop dat er geleidelijk een einde komt aan straffeloosheid op het continent. Senegal richtte samen met de AU begin dit jaar een speciaal tribunaal op om de oud-dictator van Tsjaad, Hissene Habre, te berechten voor misdaden tegen de menselijkheid tijdens zijn regime (1982- 1990). Een proces in Dakar en hoorzittingen in Tsjaad brengen het recht bovendien dichter bij de slachtoffers.

Het Internationaal Strafhof zegt er juist te zijn voor slachtoffers. Het blijkt een valse belofte. Het politieke en juridische getouwtrek tussen Den Haag en Nairobi overstemt het leed van de Keniaanse overlevenden, verkrachtte vrouwen en vluchtelingen. Hun vooruitzicht op gerechtigheid vertroebelt. Door de recente beslissing van het Strafhof om delen van het proces niet in Kenia zelf te behandelen maar alleen maar in Den Haag blijft het voor vele van hen een ver-van-mijn-bed-show.