Gergjevs intense manier van musiceren bepaalt zijn festival

Dirigeren met vingers of satéprikker: Valery Gergjev in De Doelen, Rotterdam Andreas Terlaak

Vijfentwintig jaar geleden dirigeerde de toen al gevierde Valery Gergjev voor het eerst in Rotterdam, waar hij van 1995 tot 2008 chef was. Dat jubileum werd afgelopen week in De Doelen gevierd met een geheel Russisch ingevulde editie van het jaarlijkse Gergjev Festival. Om de bijzondere verbintenis te vieren kreeg de eredirigent van het orkest een ‘Gergjev Ouverture’ aangeboden, te schrijven door een componist naar zijn keuze en in 2015 te horen in Rotterdam.

Het eerste Gergjev Festival was in 1996 een tiendaagse waarbij kosten noch moeite gespaard waren; inmiddels hangt de financiële vlag anders in muziekland en is het festival ingekrompen tot een lang weekend. Maar het sterke programma, de sfeervolle omlijsting met guerrillaconcertjes en Russische versnaperingen en vooral de buitencategoriemusici maakten deze achttiende editie tot drie dagen volwaardig feest.

Iedere dag stond één componist centraal: Prokofjev, Stravinsky en Moessorgski. Zoals het een festival betaamt was er daarbij veel ruimte voor minder courant repertoire, zoals het merkwaardig skrjabineske Zvezdoliki van Stravinsky en de oorspronkelijke versie van Moessorgski’s Nacht op de kale berg.

Rode draad in het programma vormde de roemruchte Russische pianotraditie. Alexei Volodin gaf een recital vol spierballenwerk en soleerde in het grillige Concert voor piano en blazers van Stravinsky. Artist in residence Sergej Babayan worstelde zich met flair door Prokofjevs zelden gehoorde Vijfde Pianoconcert, een tumultueuze tour de force waarvan slechts het Larghetto naar het licht reikt. Wanneer ook dat dreigt vast te lopen in massieve clusterakkoorden tilt een schitterende strijkersmelodie de muziek op uit het duister.

Babayan had bovendien een aantal van zijn studenten meegenomen, onder wie de grote belofte Daniil Trifonov, die op 6 oktober zijn debuut maakt in de serie Meesterpianisten in het Concertgebouw. Trifonovs naam zingt al een tijdje rond; Rotterdam had de Nederlandse primeur en die was ontzagwekkend. Zijn interpretatie van Prokofjevs Eerste Pianoconcert was er een van uitersten: rauw, hard, dromerig, grotesk. Trifonov streek geen plooien glad en liet de hoekige erupties van hamerakkoorden frontaal op elkaar botsen, om dan in een oogwenk naar een omfloerst timbre of feeëriek motiefje te schakelen. Iedere noot kreeg de indruk van spontane inventie mee, en tegelijkertijd de volledige ruggesteun van zijn muzikaliteit.

In de gecomprimeerde incarnatie van zijn festival bleek de intensiteit van Gergjevs musiceren, met satéprikker als baton en kwispelende vingers, onverminderd groot. Hoogtepunten waren er te over: een dreunende, theatrale Les Noces van Stravinsky door koor en solisten van het Mariinsky Theater, of wereldbas Mikhail Petrenko die schitterde in Moesorgski’s wrange, aangrijpende Liederen en dansen van de dood. De uitvoeringen blaakten van smaak en karakter en het publiek, dat gedurende drie dagen ieder concert ovationeel had onthaald, deed Gergjev zaterdagavond ruim tien minuten luidruchtig uitgeleide.