De moskee

De grootste moskee van Moskou, op de Prospekt Mira, is wegens verbouwing gesloten. Er is een klein noodgebouw, daar passen de vrouwen net in. De mannen bidden vóór het gebouw, op een met dranghekken afgezette rijstrook. Met honderden, soms duizenden knielen ze naast elkaar op stukken bloemetjesbehang. Het gezicht richting Mekka betekent vanaf deze plek: richting de dranghekken waar de SUV’s langs zoeven.

De biddende moslims zijn symbool geworden van het ongemak dat veel Moskovieten voelen over de islamitische nieuwkomers in hun land. Moslims zijn prima, zolang ze zich als ‘gewone Russen’ gedragen. Dus niet bidden op straat.

De vier moskeeën in de stad puilen uit. Volgens burgemeester Sobjanin zijn het vooral arbeidsmigranten die komen bidden. Bij de moskee op Prospekt Mira is het deze middag rustiger dan gewoonlijk, door de jacht op illegalen van de afgelopen weken. Over de detectiepoortjes en de vier politiepatrouilles waar iedereen met een donker uiterlijk langs moet, doet niemand moeilijk. „Je moet je aan de wetten van het land houden”, zegt Nazir (34), ooit leraar Russisch, nu bouwvakker. Politieagent Ismail (44) en de Kirgizische arbeidsmigrant Adilet (24), die broodjes verkoopt bij de Subway, denken er hetzelfde over.

Nazir is een Russische moslim uit de noordelijke Kaukasus: Dagestan. In deze islamitische deelrepublieken krijgen moeders meer kinderen dan het landelijk gemiddelde (1,7). In Tsjetsjenië is het zelfs het dubbele. Zijn ogen lichten op als hij het toekomstbeeld uitspreekt dat christelijke Russen vrezen. „Rusland zal vanzelf islamitisch worden. Ze kunnen zo veel orthodoxe kerken bouwen als ze willen, maar daar zitten alleen oude vrouwtjes. Vergelijk dat met alle jonge mannen hier bij de moskee!”

De angst die veel Russen voelen voor moslims uit zijn regio wuift Nazir weg. „Als Moskovieten zeggen dat ze ons niet moeten, denk ik aan 1941. Zeven of acht mensen uit mijn familie zijn onderscheiden als held van de Sovjet-Unie. Zij hebben Moskou beschermd tegen de fascisten. Dit is een groots land, mede dankzij onze vechters. En zo hoort het.”