‘1 pct klassen groter dan 28 leerlingen’

◯ Waar ◯ Grotendeels waar ◯ Half waar ◯ Grotendeels  onwaar ◯ Onwaar

Premier Rutte onlangs bij Pauw & Witteman.

De aanleiding

Vorige week werd er in de Tweede Kamer gedebatteerd over het zogenoemde passend onderwijs. Vanaf het nieuwe schooljaar in 2014 moeten leerlingen met een handicap of stoornis vaker een plaats krijgen in het reguliere basisonderwijs, in plaats van op een speciale school. In een bericht dat nu.nl schreef over het debat stond dat CDA-Kamerlid Michel Rog zijn zorgen uitte over de grootte van de klassen in het basisonderwijs. Volgens hem dreigen die weer groter te worden. Staatssecretaris van Onderwijs Sander Dekker (VVD) antwoordde daarop dat maar 1 procent van de klassen nu groter is dan 28 leerlingen. Meerdere lezers verbaasden zich over dit lage percentage en vroegen ons om deze bewering te checken.

Waar is het op gebaseerd?

De woordvoerder van staatssecretaris Dekker laat weten dat de cijfers over de klassengrootte afkomstig zijn uit een onderzoek dat het ministerie van Onderwijs vorig najaar uitvoerde. In een brief die op 15 november 2012 naar de Tweede Kamer werd gestuurd is hierover verslag gedaan. In het debat over passend onderwijs heeft de staatssecretaris echter twee cijfers uit deze brief verwisseld. Die 1 procent die de staatssecretaris noemde slaat op het aantal scholen dat gemiddeld meer dan 28 leerlingen in een klas heeft. Het percentage klassen waar meer dan 28 leerlingen in zitten is hoger.

Hoe zit het?

Tussen 1994 en 2006 werd door de Onderwijsinspectie jaarlijks onderzoek gedaan naar klassengrootte. In 2004 lag de gemiddelde groepsgrootte op 24,3 leerlingen, in 2006 was dat gedaald tot 22,4 leerlingen. Omdat het toenmalige project ‘Groepsgrootte en kwaliteit basisonderwijs’ afliep, is de rapportage over groepsgrootte ook opgehouden. Sindsdien wist niemand hoe het ervoor stond met de grootte van de klassen.

De Algemene Onderwijsbond (AOb) wilde hier graag weer inzicht in. Daarom besloot zij vorig jaar om een steekproef onder haar leden te doen. Ruim 2000 leerkrachten in het basisonderwijs vulden een enquête in. Uit de analyse van hun antwoorden bleek dat er gemiddeld 26 leerlingen in een klas zitten. In het bijbehorende artikel in Onderwijsblad viel te lezen dat op scholen van meer dan 150 leerlingen klassen van 28 tot 30 normaal zijn.

Naar aanleiding van het artikel vroeg de Tweede Kamer aan de staatssecretaris om vanuit het ministerie ook weer onderzoek te doen naar klassengrootte. Daar werd in de brief van 15 november 2012 gehoor aan gegeven. De belangrijkste conclusies: in 2012 zitten er gemiddeld 22,8 leerlingen in een klas, afgerond 23. In 62 procent van de groepen zitten 20 tot 28 leerlingen, 13 procent van de groepen heeft meer dan 28 leerlingen. Maar binnen scholen zit er variatie in groepsgrootte, want 1 procent van de scholen heeft een gemiddelde groepsgrootte van 28 of meer leerlingen.

Deze twee onderzoeken schetsen een nogal uiteenlopend beeld. Vermoedelijk komt het door de uiteenlopende methodes die voor beide onderzoeken zijn gebruikt. Hoewel het aantal respondenten bij de AOb hoog ligt, en ze rekening hebben gehouden met regionale spreiding, „kan het best zo zijn dat we één leraar van een kleine schooltje in Noord-Groningen erbij hebben zitten, en 20 van een drukke school in Amsterdam”, zegt Robbert Sikkes van Onderwijsblad. In de AOb-steekproef was het niet mogelijk om op schoolniveau te kijken. Dat heeft het ministerie wel gedaan voor hun cijfers. Zij selecteerden 400 scholen en bekeken van elke leerling op die scholen in welke klas die zit. DUO verzamelt deze gegevens. Om zeker te weten dat de onderzoeksmethode van het ministerie valide is, heeft het ministerie de manier van aanpak laten beoordelen door onderzoeksinstituut CentERdata, van de universiteit van Tilburg. Zij zijn van mening dat de steekproeftrekking door het ministerie een representatief beeld schetst. Zodoende lijkt het erop dat volgens de meest recente cijfers in 13 procent van de klassen meer dan 28 leerlingen in een klas zitten.

Staatssecretaris Dekker zei in het debat over passend onderwijs dat maar 1 procent van de klassen groter is dan 28 leerlingen. Hij haalde hier echter het verkeerde cijfer aan. Uit onderzoek van zijn eigen ministerie in 2012 bleek dat op 1 procent van de scholen gemiddeld meer dan 28 leerlingen in een klas zit. Maar in 13 procent van de klassen zitten meer dan 28 leerlingen. Hoewel dit een verwisseling van cijfers betreft, kunnen wij hier niet anders dan de bewering beoordelen als onwaar.