Winnen van de blonde jongens

De Duitsers speelden vals, maar toch wonnen op de Olympische Spelen van 1936 in Berlijn de Amerikaanse roeiers goud in de acht. Daniel James Brown maakte er een spannende reconstructie van, met als hoofdpersoon de zich minderwaardig voelende roeier Joe.

De Amerikaanse acht in de finale op de Olympische Spelen in Berlijn, 1936 Foto Koloriertes

Op 14 augustus 1936 liggen tijdens de Olympische Spelen in Berlijn zes boten naast elkaar in de striemende regen. Even daarvoor heeft een Duitse ploeg (een vier met stuurman) de twee kilometer het snelst afgelegd. Het Sieg Heil schalt over het water. Er is goede hoop dat de Duitsers ook het koningsnummer – de roeiers acht – zullen winnen. Ze hebben namelijk niet alleen allemaal sterke, blonde jongens aan boord, maar er is ook nog eens niets aan het toeval overgelaten. Want behalve regen is er ook veel wind, die met onregelmatige vlagen schuin over het wedstrijdparcours tekeergaat.

Wie in baan 1 start heeft het voordeel van iets minder tegenwind en minder golven, wie in baan 6 ligt, is de klos en zal voortdurend moeten bijsturen om op koers te blijven. En nu was net de dag daarvoor besloten dat de banen niet meer op basis van snelste tijd in de voorwedstrijden worden ingedeeld – dan hadden de Amerikanen in baan 1 gelegen – maar op basis van juryvoorkeur.

De Duitse ploeg mag in baan 1 starten, de Italianen liggen ernaast in baan 2. De snelle Britten en Amerikanen zijn verplaatst naar respectievelijk baan 5 en 6. De Hongaren en de Zwitsers liggen ertussenin. Wie denkt dat het gaat om millimetergezeur, heeft het mis: eerder die dag is gemeten dat baan 1 twee bootlengtes, enkele seconden, voordeel heeft.

„Bent u klaar?” roept de starter in het Frans, waarna hij zijn hoofd richting baan 1 en 2 draait. „Start!” De wind heeft het geluid richting baan 5 en 6 doen verstommen. Terwijl de rest wegvaart, blijven de Britten en Amerikanen geconcentreerd liggen, wachtend op het startsignaal. De stuurmannen zien als enigen wat er gebeurt en porren de mannen op.

De slechteriken zijn in het voordeel en spelen vals, de goeden zwaar in het nadeel – en toch winnen de goeden. En dat ze nipt winnen – het Duitse team had al de handen omhoog, totdat uit de foto’s duidelijk bleek dat ze verloren hadden – mag gerust een wonder heten. Want niet alleen waren de uitgangspositie en de start slecht: de Amerikaanse jongens gingen ook nog eens met een zieke slagman van start. Het grootste deel van de race rijdt hij op zijn bankje als een zombie op de automatische piloot. Wanneer het aantal slagen per minuut omhoog moet, doet hij niks, hij lijkt van de wereld. En net als de stuurman zeker weet dat de race verloren is, komt de slagman tot leven, spurten ze vooruit en winnen ze goud.

Het is bijna te mooi om waar te zijn, maar dat was de hardloopklassieker Chariots of Fire eveneens en die was óók gebaseerd op een waargebeurd verhaal. Het zal straks prachtige beelden opleveren wanneer Kenneth Branagh De jongens in de boot, Daniel James Browns geschiedenis over deze Amerikaanse acht, gaat verfilmen.

Hun overwinning was een klap in het gezicht van Hitler die de winst van sprinter Jesse Owens nog niet te boven was gekomen. Zijn Arische jongens hadden verloren van een stel boerenpummels uit het westen van Amerika. Want boeren waren het – daarom waren de meesten ook zo sterk.

De Amerikaanse non-fictie schrijver Daniel James Brown pikte een van die mannen eruit voor zijn versie van het gebeuren: Joe Rantz, een jongen die na een verwaarloosde jeugd zijn liefde in het roeien vindt, en een vrouw daarbuiten. Die zoektocht naar liefde en erkenning gaat niet zonder slag of stoot.

Joe’s minderwaardigheidsgevoel komt voort uit zijn jeugd, die Brown met groot gevoel voor tragiek uit de doeken doet. Joe’s moeder overlijdt wanneer hij vier is. Zijn vader hertrouwt, maar de nieuwe vrouw vindt het armoedige leven – dat in de jaren dertig nog deels geteisterd wordt door de gevolgen van de beurskrach en daarna door dustbowls – maar niks. Ze had violiste willen worden, maar in plaats van te musiceren snijdt ze aardappels voor haar eigen kinderen en tot haar ergernis ook voor veelvraat Joe. Die laatste moet weg en Joe wordt door zijn stiefmoeder en halfbroertjes en -zusjes verlaten. Sorry, zegt z’n vader nog wel, maar ook hij vertrekt in de veronderstelling dat je meer aan een vrouw hebt dan aan een zoon.

In een half afgebouwd huis op een verdroogde plek bouwt Joe een bestaan op, terwijl hij tussendoor nog wel naar de dorpsschool gaat. De achtergebleven kippen worden opgegeten door de nertsen, wilde honden maken de buurt onveilig. Maar Joe is een vechter die als scholier, knecht, populierenzager, asfaltdekker en visser door het leven gaat. Vooral dat asfalt en die populieren doen het goed: hij wordt een wandelende spierbundel. Met een beurs (omdat hij zijn school ook nog eens goed aflegt) is hij een indrukwekkende verschijning op de eerste dag dat de roeiers zich aan de universiteit bij Seattle verzamelen.

The American Dream versus de nazi’s van Europa, dan hoop je maar op één winnaar, de getraumatiseerde Joe. Je bent blij dat hij op 13 april 1934 zijn eerste wedstrijd wint tegen de universiteit van Californië. Het is een beladen dag, niet alleen omdat die bepalend is voor Joe’s verdere roeicarrière, maar ook omdat het de dag is waarop Joseph en Magda Goebbels hun dochter Hilda, krijgen.

De jongens in de boot is kitsch, maar wel heel fijn gemaakt. Vanaf het begin af aan weet je wat er gaat gebeuren en waar naartoe wordt gewerkt. En toch leef je in spanning mee. Je ergert je niet aan voorspelbaarheden, zoals rijkeluiszoontjes die afhaken wanneer het te zwaar wordt. Je gunt het Joe dat de arrogante jongetjes in hun gesteven broeken en nette colbertjes die hem uitlachen om zijn armoedige kleding en zijn inferieure muzieksmaak, de selectie niet halen. Je bent blij voor Joe, die altijd bang is in de steek gelaten te worden, als hij de geduldigste en trouwste vrouw vindt die er ooit op aarde moet hebben rondgelopen. En je vindt het mooi dat zodra Joe – nadat hij meer zelfvertrouwen heeft en zich niet meer minderwaardig voelt aan zijn roeimaten – eindelijk de goede techniek onder de knie krijgt waardoor het lijkt alsof de boot ‘vliegt’.

Je knippert niet met je ogen wanneer de botenmaker een filosoof blijkt te zijn, die Joe de juiste kant opstuurt door met wijsheden over hout aan te komen: ‘Hout leert ons over overleven, over het overwinnen van problemen, van tegenslag, maar leert ons ook iets over de onderliggende reden waarom overleven überhaupt zin heeft. Iets over oneindige schoonheid, onsterfelijke elegantie, over dingen die groter zijn dan wijzelf. Over de redenen dat wij hier met zijn allen rondlopen.’ Je voelt een tune opkomen die bij volgende Olympische Spelen telkens gedraaid kan worden als er medailles worden uitgereikt.

Een echt zwijmelboek kortom, dat ook nog eens reuze handig is voor de Holland acht die tijdens de WK van afgelopen weekend weliswaar in de finale kwam, maar over drie jaar toch meer zal moeten bereiken: zoek mannen die populieren omhakken en kies voor een filosoof die botenmaker is en net zoveel van kunststof weet als Joe’s botenmaker van hout.