Wie was de beste premier?

Wie was volgens u de beste minister-president die Nederland sinds 1900 heeft gehad? En vooral: waarom? Die vraag heeft NRC Handelsblad samen met de Universiteit Utrecht aan experts gesteld. De resultaten worden over enkele weken bekendgemaakt.

Intussen kunt u op nrc.nl die vraag ook beantwoorden. De beste motiveringen komen in de krant. Alle premiers worden via de website met radiotoespraken, tekst, filmpjes en NRC-artikelen uit die tijd voorgesteld. Op de Opiniepagina zullen prominenten hun favoriet bekendmaken.

De verwachtingen waren begin deze week hooggespannen. Zou premier Rutte in de H.J. Schoo-lezing van afgelopen maandag een inspirerende langetermijnvisie laten zien? EO-presentator Andries Knevel twitterde maandagmiddag: „Heel Nederland zit in spanning op de grote, visionaire redevoering van Mark Rutte te wachten. Ik ook.”

Het resultaat kon na zulke verwachtingen alleen maar tegenvallen. Rutte zelf maakte er in zijn speech meteen korte metten mee. „Voor mij geen visie als format hoe het allemaal precies moet”, zei hij, „of waar we over 25 jaar achter de komma uit moeten komen.”

Het verlangen naar dat ene grote, inspirerende verhaal weerspiegelde niet alleen een hunkering naar meeslepend leiderschap. Het riep ook de nodige vragen op over wat een minister-president precies vermag. Kan hij in die rol eigenlijk wel een scherp verhaal houden zonder zijn coalitiepartner of anderen die hij nodig heeft bij het realiseren van beleid, van zich te vervreemden? De Amerikaanse president George Bush sr. sprak ooit over de vision thing: leuk voor journalisten, lastig voor het bereiken van resultaten.

De teleurstelling over Ruttes Schoo-lezing was niet de enige illustratie van de kortsluiting tussen verwachtingen en uitvoering van het premierschap. Eigenlijk al sinds de start van dit kabinet klinkt de roep om meer leiderschap van de kant van de minister-president. Onlangs bereikte zijn populariteit volgens sommige peilingen een nieuw laagterecord.

Rutte is niet de eerste premier met publieke twijfel aan diens leiderschap. „En hij zal ook niet de laatste minister-president zijn over wie het historisch oordeel mogelijk verandert als de tijd verstrijkt”, zegt de Utrechtse hoogleraar bestuurskunde Paul ’t Hart. „Kijk maar naar Piet de Jong: aan het eind van zijn premiersperiode nog weggezet door zijn partij, nu gewaardeerd om de manier waarop hij omging met de onrust eind jaren zestig.”

Paul ’t Hart schreef samen met buitenlandse collega’s onlangs een boek over premierskwaliteiten in landen als Australië en het Verenigd Koninkrijk. Die kwaliteiten lopen zeer uiteen. „Een premier kan niet alles tegelijkertijd zijn”, aldus ’t Hart. „Jan Peter Balkenende kon goed verkiezingen winnen, maar wordt minder herinnerd als sterk bestuurder. Joop den Uyl was beroemd en berucht om zijn visie, maar was voor zijn collega’s niet de makkelijkste om mee samen te werken. Daartegenover staan premiers als Louis Beel en Wim Kok. Die waren juist weer goed in het managen van de coalitie.”

Er is dus nog hoop voor Mark Rutte. Dat is ook nodig, want hij zette vorig jaar bij de start van zijn kabinet hoog in. „Het huidige kabinet is wat personele samenstelling betreft een van de beste ministerraden sinds de Tweede Wereldoorlog”, zei Rutte toen. De uitstraling van de ministers noemde hij ‘Dreesiaans’, een verwijzing naar Willem Drees, misschien wel de populairste premier die Nederland ooit gehad heeft.