Weelde heeft geen haast

Bas van Putten voelt zich in de nieuwe Rolls als een liftboy in een duur hotel. Hij probeert zich in de koper te verplaatsen.

Als een vloedgolf glijdt de helblauwe Rolls-Royce Phantom Coupé op een doordeweekse ochtend door de straten van het stadje Thorn. Geschrokken van zijn overweldigende breedte schieten tegemoetkomende klusbussen en boodschappenautootjes het trottoir op. De bestuurders zien iets onbegrijpelijks, een walvis in de Rijn. En ik bestuur dit wonder, even ontregeld als mijn omstanders. Het moet aan me te zien zijn. Ik ben en kijk ontheemd, stuck between worlds, zoals de liftboy van een duur hotel die dagelijks ten hemel vaart met Jagger en Madonna, maar elke avond met een minimumsalaris neerstort in zijn eigen pauperwereld, gast in andermans realiteit. Ik bid voor tegenliggers die het sorry van mijn lippen lezen.

De coupé is vijf meter eenenzestig lang, bijna twee meter breed, een meter zestig hoog. Godgeklaagd groot voor een auto met twee portieren, die achterstevoren openen en elektrisch sluiten. Druk op een knop, en die enorme brokken worden door geruisloze motoren in het slot getrokken. Zo’n deur gaat wiebelen aan die paar lullige scharnieren, zou je denken. Ha! Geen krimp. Dat is zijn meesterschap, dat foutloze gemak. Hij weegt 2.580 kilo en kost ruim een half miljoen. Nog nooit werd zoiets groots en kostbaars mij deelachtig.

Ik laat de importeur in Eindhoven de auto uitleggen en rijd naar Thorn. Ontheemd, zei ik. Neem dat letterlijk. Wat in normale auto’s in het zicht en voor het grijpen ligt, speelt bij Rolls-Royce verstoppertje. Waar is dat leuke analoge klokje nou? Net zat het er nog! Het is verdwenen achter het navigatiedisplay, dat in ruststand schuilt achter een klepje met het klokje. De verchroomde navigatieknop en de schakelaars voor de elektrische stoelverstelling zijn op uitklapbare plateautjes weggemoffeld in de vakjeshelling die van de witlederen middenarmsteun als een skipiste naar de vloer glijdt. Ik zoek me het lazarus.

Het idee is dat je niks moderns mag zien in een Rolls. De Phantom is een postmoderne fantasie over klassieke Britse waarden; hout, leer, chroom, ambachtelijke adel. De verstopzucht neemt absurde vormen aan. De Spirit of Ecstacy, de verchroomde mevrouw die als Rolls-mascotte sinds mensenheugenis in duikhouding op de voorplecht prijkt, kan ik elektrisch laten wegzakken in de grille, waar een klepje haar behoedt voor souvenirjagers.

Boven mijn koffie probeer ik mij te verplaatsen in de gedachtenwereld van de koper. In zijn stamcafé in Saint-Tropez legt hij zijn hartewensen langs de welvaartsmeetlat. Wat telt in het leven; een goeie kop koffie, het meisje van de bediening – niet voor geld te koop – of een Rolls van vijvenhalve ton? Hij heeft geen sluitend antwoord. Wat hij weet is dat een mens, zelfs hij, zich levenslang beheerst. Men weegt zijn woorden, blijft met zijn gore tengels van serveersters af, wijkt naar vermogen uit voor tegemoetkomend verkeer. Er is, behalve seks, voor iemand met zijn middelen maar één methode een verdrongen wrok tegen de matigheid geweldloos te bevredigen. De aankoop van een Phantom.

Hij neemt hem niet voor zijn luxe. Die heeft de liftboy in zijn Golfje ook. Nu airconditioning, elektrische ramen en leren bekleding van weelde zijn geïnflateerd tot volksbezit, moet Rolls dus diep in de verwendoos tasten om de non plus ultra-status te behouden.

Exquise onzin

Het is gelukt. Alles aan de Phantom is betoverend exquise onzin. De verchroomde trekknoppen voor de ventilatieroosters, het melkglas van de interieurverlichting, het witte leer, de uit honderden leds gecomponeerde sterrenhemel die bij nacht de inzittenden overspant als een eeuwige kerstnacht.

Zo zou ik hem eenmaal naar Zuid-Frankrijk willen rijden, als God onder mijn eigen uitspansel gezeten, de Spirit als een zilveren maîtresse aan mijn eigen horizon. In de verte waait een zachte wind die als een schim over de stilte glijdt. Dat is de motor, een volslagen anachronistische twaalfcilinder met maar 460 pk – een schijntje naast de powerplay die ze bij Bentley tegen achterblijvers uitspelen. De Phantom laat die handschoen deftig liggen, weelde heeft geen haast. Zijn matigheid is bij Rolls-Royce een erfstuk uit de tijd waarin het merk vermogens niet eens opgaf. ‘Sufficient’, stond er, en dan wás het ook voldoende. Met koninklijke waardigheid negeert de mastodont de opgewonden randvoorwaarden van het nieuwe rijden. Hij ‘ligt niet strak’ maar helt in bochten, hij kon sneller, de stuurprecisie komt niet in de buurt van BMW. Het is zijn taak niet om te concurreren, het is zijn taak zichzelf te zijn; doodstil, oase van rustgevendheid, met niets te vergelijken. Een kunstwerk.