Vredig eten is goed eten

Waarom lunchen we thuis zo onverschillig, vraagt thuiskok Marjoleine de Vos zich af. Die bruine boterham kan opwindender.

Courtesy Van Zoetendaal

In de schoolkantine van het H.N. Werkman College in Groningen hangt iets ongelooflijks: een meterslange wandschildering van Lucebert. O had zoiets maar bij mij op school gehangen! Gelukkige leerlingen die daar dagelijks voor zitten, hun tassen op tafel, of hun meegebrachte boterhammen. Er zijn vast ook leerlingen die er misschien geen bal aan vinden, aan die hele wandschildering niet, maar wat geeft het, hij dringt toch wel bij ze binnen.

Op de schildering zitten mensen aan tafel terwijl een jazzcombootje in het midden zit te musiceren. De muzikanten hebben achter zich een stervormig geel licht, zij zijn het centrale punt van een soort laatste-avondmaalschildering in hevige kleuren, zoals we die van Lucebert gewend zijn. ‘Vrede is eten met muziek’ heet het, Lucebert maakte ook een beroemd gedicht met die titel: „Vrede is goed eten met goede muziek/ Met marsmuziek kan men beter lopen dan eten (-) Maar bij dansmuziek is het zeker goed eten”.

Dan ga je je meteen afvragen of dat waar is. Bij dansmuziek kan de mens net als bij marsmuziek slecht stil blijven zitten en dat is toch wel een voorwaarde voor rustig en goed eten. Stuiterend aan tafel zitten draagt niet bij tot de spijsvertering.

Wat zou dat combootje spelen? Hot House, I May Be Wrong, Dizzy Atmosphere? Jazznummers waar Lucebert van hield, althans hij schreef er ooit een gedicht mee. Dat zou gezellig zijn, als er uit de wandschildering ook nog swingende jazz klonk, alsof dat combo echt speelde.

En dan die leerlingen echt eten natuurlijk.

Op het schilderij staan niet altijd even duidelijke etenswaren, je ziet een puddinkje met een soort van kers erop, een groene varkenskop, wat niet speciaal aanlokkelijk lijkt, op een bord ligt een dood vogeltje met de pootjes in de lucht en iemand propt iets wat daar te groot voor lijkt in zijn mond. Elders zijn oesters, olijven, tomaten of radijzen en een kippenpootje te onderscheiden.

Dat die etenswaren niet zo duidelijk en ook niet allemaal zo aanlokkelijk zijn is in zekere zin maar goed ook, want als je zelf een supermarktboterham met plastic kaas bij je hebt en je zit naast, bijvoorbeeld, een zeventiende-eeuws voedselstilleven waarop de verrukkelijkste pasteien je toelachen, oude kaas je het water in de mond doet lopen, haringen en witte broodjes lonken naast kroezen schuimend bier, dan ga je je wel zielig voelen.

De Lucebert-wandschildering is meer opwindend en dynamisch dan een voedselstilleven en ik denk niet dat leerlingen er trek van krijgen. Ik zag hem omdat een groepje verontruste oud-leraren van de school heeft vastgesteld dat de schildering in de loop der jaren behoorlijk vies is geworden en restauratie behoeft, maar zoals gebruikelijk is daar geen geld voor.

Ik kreeg er enorme zin van in rare etentjes met schilderijgerechten. Wat eten ze op Breughels boerenbruiloft (waarvan een mannetje dat een pot uit likt op Luceberts wandschildering is terechtgekomen)? Wat eten ze op laatste-avondmaalschilderijen? Het zou echt leuk zijn, een groot schilderij aan de muur en dan alles koken wat je denkt dat daar op staat. Begeleid door passende muziek – „Want onder vrolijke tonen bewegen de kaken vanzelf/ harmonieus en met de kaken ook de slokdarm”.

Gebraden varkens

Voor mijn geestesoog vulde de kantine van het Werkman College zich met puddingen en gebraden varkens, met oesters en vrolijke mensen en jazztrompetten. En terwijl ik dacht aan de mogelijk saaie boterhammen in de werkelijkheid van de gemiddelde schooldag, dacht ik ook ineens aan de niet bepaald opwindende boterhammetjes die ik zelf pleeg te eten tussen de middag. Net als menigeen. Buitenshuis een broodje, binnenshuis een boterham. Meestal met kaas. Plakje tomaat erop eventueel. Likje mayonaise. In geval van oud brood een gebakken kaasboterhammetje. Dat is het wel. Buitenlanders staan altijd versteld van onze schamele lunchcultuur. Niets geen lekkere warme gerechtjes, hooguit een gebakken eitje, nergens een bordje spaghetti, zelden een aangename salade.

Waarom zijn we – of ben ik de enige? – zelfs als we thuis zijn vaak nog zulke onverschillige lunchers? Een lunch wordt pas iets op zondag als je er mensen voor hebt uitgenodigd (maar wanneer doe je dat? Bijna nooit.) of in de vakantie als eindelijk dat hele Italiaanse of Franse decor voor handen is: bomen, zon, grote tafels buiten met geruite tafelkleden erop. Maar verder komt er geen hand uit geen mouw voor de lunch. En muziek klinkt er ook nooit bij die boterham.

Dat moet toch beter kunnen. Met geringe inspanningen kunnen we er toch wel iets van maken, van de boterhammetjes.

Kwam van de week met een paar lamsniertjes thuis, na een bezoek aan een slachterij, waarover een andere keer wel eens meer. Eerst dacht ik: vanavond opeten, maar mijn maag rammelde en het was lunchtijd en niertjes bakken is nauwelijks ingewikkelder dan een eitje bakken dus hup: de plakjes door met veel peper en tijm en wat zout gekruide bloem gehaald, in half boter half olie gebakken, even laten doorgaren met een glas sherry en een glas water erbij zodat een kruidige, hartige lichtgebonden saus ontstond. Stukje brood erbij en vooruit, glaasje wijn – ja hoor: „Vredig eten is goed eten.”