Valt een vrouwtje voor goede genen of schoonheid?

Mannetjesdieren pronken om vrouwtjes te verleiden. Biologen beschouwden dit gedrag lang als louter functioneel. Nu gaan er stemmen op om, in navolging van Darwin, weer een plaats in te ruimen voor schoonheid.

Het krekelmannetje wrijft zijn vleugels tegen elkaar, de stekelbaars voert zijn zigzagdans op en de prieelvogel veegt zijn prieeltje nog één keer schoon. Zodra het paarseizoen begint, wordt er vol overgave gebaltst, gepronkt, gezongen, gesprongen en gedanst. En begeerd.

Dat laatste zien veel biologen over het hoofd, vindt Richard Prum, hoogleraar ornithologie aan Yale University. Als vrouwtjes mogen kiezen, zullen ze alleen met de mooiste mannetjes paren. Hun voorkeuren en verlangens zijn dus de stuwende kracht achter het ontstaan van zigzagdansen en vogelzang. Wat zij mooi vindt en wat niet, verschilt per soort en is totaal willekeurig.

Seksuele selectie heet deze bijzondere vorm van evolutie. Darwin beschreef het voor het eerst in zijn boek Descent of Man in 1871, als aanvulling op natuurlijke selectie. „De aanblik van een veer in een pauwenstaart, elke keer als ik er naar kijk, maakt me ziek!”, schreef hij ooit aan botanicus en vriend Asa Gray. Pauwenveren zijn zo nutteloos, zo mooi, die dienen geen ander doel dan om vrouwtjes te bekoren, concludeerde Darwin. Ze zijn door vele generaties van vrouwtjes geselecteerd en gevormd.

Maar dit inzicht van Darwin is de laatste jaren aan de kant geschoven. Seksuele selectie draait niet meer om schoonheid, maar om functie. Een pauwenstaart zou een uithangbord zijn, waarmee het mannetje zijn goede genen etaleert. Een neushoornkever toont met zijn overmaatse stekel dat hij fysiek altijd in goede conditie is geweest. Voor mannetjes is het ontwikkelen van buitenissige versiersels kostbaar. Het zijn daarmee betrouwbare signalen. Een vrouwtje leidt eruit af welke man de beste verwekker van haar kroost zal zijn.

Op een congres in Bristol vatte evolutiebioloog Richard Dawkins dit idee klinisch samen: vrouwtjes zijn doktoren die een diagnose stellen. En mannetjes zijn hun goudeerlijke patiënten.

In de jaren 70 lanceerde de Israëlische bioloog Amotz Zahavi het idee dat mannetjes met onhandige, maar mooie kenmerken hun gezondheid adverteren. Evolutiebiologen lieten begin jaren 90 met wiskundige modellen zien dat dit handicap-principe zou kunnen werken. Maar daarna ging het mis, volgens Prum.

De hypothese dat mannetjes gezondheid etaleren, werd een aanname. „Iedereen zoekt nu naar voorbeelden die aan het dogma voldoen”, zeg Prum via Skype. „Maar dat is non-wetenschap. Zonder een degelijke nulhypothese bouw je een kaartenhuis dat elk moment in kan storten.”

Richard Prum heeft veel over seks en schoonheid nagedacht. Als ornitholoog onderzoekt hij hoe vogels hun kleur krijgen, vanuit de nanostructuur en organische moleculen in veren. Door microscopisch kleine, pigmentdragende celorgaantjes uit fossielen te isoleren, slaagde hij erin zelfs de kleuren van de gevederde dinosaurus Microraptor te reconstrueren.

Volgens Prum moet de bewijslast worden omgedraaid: het iriserende verenkleed van een gaai is alleen maar mooi, tot het tegendeel bewezen is. Esthetische selectie door kieskeurige vrouwtjes is al genoeg om het ontstaan van extreme seksuele kenmerken en baltsrituelen te verklaren, van de protserige paradijsvogels tot tsjirpende krekels. Functie is franje.

De vorm die een vinkensnavel kan aannemen is beperkt, wat er zijn maar zoveel manieren om zaad open te breken. Maar de mogelijkheden om vrouwen te verleiden met zang, balts en kleur zijn eindeloos. „Er is geen wet die voorspelt wat een soort aantrekkelijk vindt”, zegt Prum. „In de natuur zie ik een variatie die mijn voorstellingsvermogen te boven gaat. Dat is de willekeur die esthetische selectie voorspelt.”

Roodmussen

Prum sluit niet helemaal uit dat een aantrekkelijke eigenschap soms ook een indicator van gezondheid kan zijn. „Een plausibel voorbeeld vind ik Amerikaanse roodmussen”, zegt hij. De mannetjes hebben een rode borst en kop, maar kunnen zelf geen rode pigmenten aanmaken. En ook in zaden, hun voornaamste voedselbron, zijn de rode carotenoïden schaars. Als een roodmus (Haemorhous mexicanus) toch een felrood verenpak draagt, laat hij daarmee zien dat hij gezond is en genoeg eten bij elkaar kan scharrelen. Maar dat is de uitzondering, niet de regel, volgens Prum.

De grondleggers en pleitbezorgers van de goede genenhypothese beantwoorden de kritiek van Prum met zwijgen. Ze zijn druk, reageren niet op e-mails, of e-mailen om te zeggen dat ze niet willen reageren. „Sommige veldslagen zijn het waard om uit te vechten”, laat er eentje weten. „Bij andere is het beter om af te wachten en te zien wie er uiteindelijk gelijk krijgt en wie niet.”

Evolutiebioloog Tommaso Pizzari van de University of Oxford en expert op het gebied van seksuele selectie, wil wel reageren. „Prum heeft natuurlijk een punt als hij zegt dat je niet zonder meer mag aannemen dat seksuele ornamenten een functie hebben, naast het aantrekken van een partner. De aanname dat eigenschappen adaptief zijn is een veelvoorkomende valkuil, in de hele evolutiebiologie.”

Walter Salzburger, evolutionair bioloog aan de Universität Basel, is het met Prum eens dat seksuele kenmerken niet per se een functie hebben. „Niet alles in de evolutie heeft zin”, zegt hij aan de telefoon. Dat heeft Salzburger zelf ondervonden tijdens zijn onderzoek naar de fel oranje vlekjes op de anaalvin van muilbroedende cichlidemannetjes (Astatotilapia burtoni).

Deze eiervlekken lijken op de eitjes die de vrouwtjesvissen in hun muil uitbroeden. Vrouwtjes happen tijdens de balts naar een eiervlek, alsof ze een verloren eitje proberen op te pikken. Cichlide-onderzoekers dachten lang dat mannetjes dit moment aangrepen om hun hom af te zetten. Maar in 2012 liet Salzburger zien dat mannetjes met weggebrande eiervlekken net zo vaak eitjes bevruchten als mannetjes met intacte eiervlekken.

De eiervlekken komen voor bij 1.500 cichlidesoorten en zijn meestal geel, oranje of rood: dezelfde kleur als de algen en garnalen die de cichliden eten. „We denken daarom dat vrouwtjes een aangeboren voorkeur voor deze kleuren hebben”, zegt Salzburger. „Je zou kunnen zeggen dat mannetjes die voorkeur uitbuiten, terwijl vrouwtjes de evolutie ervan aanwakkeren.” Het ontstaan van schoonheid verloopt misschien niet altijd zo grillig als Prum beweert.

Complexere modellen

Ook Pizzari wil Prums scherpe tegenstelling tussen schoonheid en goede genen nuanceren. Er zijn al complexere modellen ontwikkeld. „Een watermijtmannetje dat de aandacht van vrouwtjes trekt door het water te laten trillen, hoeft niet per se het beste mannetje te zijn”, zegt hij. „Net als adverteerders die klanten proberen te lokken met reclame, kunnen mannetjes vrouwtjes misleiden en manipuleren. De grote vraag is nu hoe we al die kosten en baten kunnen meten, voor vrouwtjes, mannetje en het nageslacht.”

Richard Prum geeft toe dat aangeboren voorkeuren bestaan en tot seksuele prikkels kunnen uitgroeien, maar volgens hem is dat niet genoeg. „Het is geen mechanisme dat verklaart hoe een prikkel en de waardering daarvan samen evolueren.”

Prum vermoedt dat die co-evolutie tussen begeren en het begeerde zich ook elders ontvouwt. Tussen fruiteters en fruit bijvoorbeeld, of tussen bestuivers en bloemen. En tussen publiek en kunst. Twee weken geleden publiceerde hij een essay daarover, in het tijdschrift Biology & Philosophy. „Kunst ligt niet in het voorwerp zelf besloten, en het is ook niet alleen maar subjectief. De terugkoppeling, daar draait het om. Geen kunst zonder cultuur.”

Keuzevrijheid leidt tot schoonheid, benadrukt Prum. „Eén van de redenen dat vogels zulke esthetische dieren zijn”, zegt hij, „is dat de meeste mannetjesvogels in de loop van de evolutie hun penis verloren hebben. Verkrachting komt daardoor nauwelijks voor in de wereld van vogels. Dit heeft geleid tot de bijna volledige seksuele autonomie van de vrouwtjesvogel.”