Reinbert, De Appel, Beckett

Joyce Roodnat

Reinbert de Leeuw staat te stralen. Natuurlijk. Hij krijgt van het Amsterdams Fonds voor de Kunst de ‘Amsterdamprijs voor bewezen kwaliteit’: dat wil zeggen de eer plus 35.000 euro. Zijn dankwoord klinkt schuchter. Is hij verlegen? Vast. En realistisch. Hij verdient die prijs, natuurlijk verdient hij die prijs. Maar nomineer je hem, dan ontkom je er niet aan om hem de prijs te geven – en dat weet hij zelf ook. Vandaar zijn retorische vraag: „Ben ik dan beter dan Aernout Mik, of zo?”

Het antwoord is nee. En ook niet slechter. Maar hij wordt 75 en Mik niet. Aernout Mik, genomineerd voor dezelfde prijs, is een videokunstenaar op de toppen van zijn kunnen. Maar Reinbert de Leeuw is de groothertog van de moderne muziek en dezer dagen is hij ook nog eens jarig, met een cd-box, een festival en zoveel media-aandacht dat we er binnenkort misschien een beetje misselijk van zullen zijn.

Er bestaat een combinatie van status, moment en leeftijd waar niet tegenop te boksen valt. Verdient zo’n grootheid een prijs, sla die nominaties dan een jaartje over en gééf ’m gewoon. Dat is eervoller. En wel zo eerlijk tegenover de concurrenten met hun nominatie voor spek en bonen.

Een andere Amsterdamprijs, die voor ‘de beste culturele prestatie’ en ook goed voor 35.000 euro, landde bij De Appel Arts Centre. Wat juist een mooie prestatie is, gezien de andere genomineerden, Toneelgroep Amsterdam en jeugdmuziekproductiehuis Oorkaan. Vandaar dat vlammende dankwoord van Appel-directeur Ann Demeester: De Appel is met Amsterdam getrouwd, het is een huwelijk uit liefde en ze is tuk op „veel nakomelingen”. Die kiddies, dat zijn de curatoren en andere kunstprofessionals die De Appel opleidt. Dat opleiden neem ik aan, dat merkt een gewoon mens alleen indirect. Maar ik bezoek gauw de expositie in De Appel: Artificial Amsterdam.

„Is het nu drukker, door die prijs?” De jongen aan de kassa bij De Appel merkte nog niks, maar „misschien komt dat nog”. Ik help het hem hopen want Artificial Amsterdam knispert van kunst die me verbaasd doet staan over iets waarvan ik dacht, dat weet ik wel. Amsterdam, vertel mij wat!

Dat had ik gedacht.

Artificial Amsterdam opent met de snoesfilm Een fotograaf filmt Amsterdam van Ed van der Elsken. Uit 1982. Wil je weten hoe in Amsterdam de jaren tachtig voelden? Het filmpje praat je in tien minuten bij, over punkers en mooie meisjes en het stoplicht bij het Muntplein, en over de routine waarmee iedereen zijn middelvinger opstak. Feilloos trapte Van der Elsken de tijdgeest op zijn staart. Ja. Zo was het, ik was het alleen helemaal vergeten.

Vervolgens ontrafelen ruim twintig kunstenaars hoe het nu zit, in Amsterdam. Ik zie baltsende waterkanonnen aan het IJ (video: Fernando Sánchez Castillo) en het martelen van auto’s op de Dam (Lawrence Weiner). De jonge Chinees Tsui Kuang-Yu wandelt door de stad. Het regent uit zijn kleding, soms bij zijn knieën, soms bij zijn buik, al naar gelang de hoogte van de zeespiegel: ‘Invisible City: Sea Level Leaker’. En nu treft me de dodelijke ernst van suikerklontjes en plakken chocola: in de video ‘Staging Silence’ hanteert Hans op de Beeck ze als bouwstenen voor een vlietende stad. Dit is geen kinderspel, dit is schoonheid. En een onthutsende les in vergankelijkheid.

Ik vlucht naar het Zeeuws Nazomer Festival. Vergeefs. Daar wacht de vergankelijkheid me al weer op, in de Wilhelminapolder op Zuid-Beveland. Marlies Heuer speelt bij het vallen van de avond Happy Days van Samuel Beckett, dat stuk met die oudere vrouw in een berg zand. In het tweede bedrijf steekt alleen haar hoofd er nog boven uit. Om dat hoofd dwarrelen muggen en motjes, soms landt er één op haar haren. Onberekenbaar klinken uit haar mond de zinnen waarmee Beckett deze vrouw ingraaft. Ze is op weg naar onder de grond, ze zit vast te wennen. Gaandeweg doet ze afstand van de spullen in haar handtas. Van haar herinneringen. Van de liefde.

Ze is gelukkig, zegt ze, dit zijn ‘happy days’. Maar ze sterft, dus dat geloven we niet.

Wacht even. Ik wens een vrouw die zo dicht bij de dood is serieus te nemen. Mag ik?

Ja. Dankzij Heuers spel lukt het haar op haar woord te geloven. Lachen is huilen, huilen is lachen. Ze is gelukkig, zegt de vrouw opnieuw, immers: „Wat is het alternatief? Wat is het al…?”

Ja, wat is het Al. Deze voorstelling verraadt een glimp. Op de Zeeuwse grond, waar eigenlijk de zee wil ruisen.