Ons Soort Mensen aan de Costa Brava Ons Soort Mensen aan de Costa Brava

In haar tweede huis in Spanje schreef bestsellerschrijver Ciel Heintz (alias Van Sambeek) een boek over gefortuneerde Nederlandse ‘pensionado’s’. Hoe levensecht zijn haar personages? Op reis langs de Costa Brava.

Foto Hollandse Hoogte

Het vakantievierende publiek zit nog aan de ochtendkoffie, als op het dorpsplein van het Catalaanse kasteeldorpje Begur twee Noord-Europese senioren op een racefiets voorbij puffen. „Kijk, dat zijn wíj als we gaan fietsen”, wijst Ciel Heintz vanaf haar terrasstoel de fietsers na. Rood aangelopen hoofden boven iets te nauwsluitende acryl fietspakjes. „Hartstikke stoer toch. Ze zijn mooi wel even deze bult opgekomen.”

‘Pensioboomers’ noemt schrijver Heintz (1949) ze. 65-plussers die hun werkzame leven achter zich lieten, maar over genoeg tijd, energie en geld beschikken om net zo druk te blijven als vóór hun pensionering. Heintz, die onder het pseudoniem Liza van Sambeek co-auteur was van de bestseller Zadelpijn en ander damesleed, scheef er haar nieuwste boek Pensionado’s over. De roman speelt zich grotendeels af aan de Costa Brava, waar ze met haar man een tweede huis heeft.

Pensionado’s is geen woord dat in het Spaans bestaat, maar volgens Van Dale is het een ‘pensioengerechtigde die in een warm en meestal fiscaal vriendelijk land is gaan wonen’.

Zelf omschrijft Heintz haar boeken als „erg uit het hoofd en het hart van de personages geschreven. Openhartig en direct. Alles wordt benoemd. En allemaal heel herkenbaar voor de doelgroep”. Anderhalve dag met Heintz aan ‘haar’ deel van de costa toont hoe Nederlandse senioren in Spanje hun leven leiden. Hoe levensecht zijn de belevenissen en beslommeringen, de lusten en de lasten van haar hoofdpersonen Vera, Rob, Fleur, Wouter en Boudewijn?

Vera en Rob vormen een stel dat elkaar steeds meer naar het leven staat sinds hij na zijn pensionering als internist in een zwart gat terecht is gekomen. Fleur is de jongere vlam van Wouter, die weduwnaar is geworden en hem nu een tweede jeugd laat beleven. Boudewijn is een rijke globetrotter, die na zijn echtscheiding van het vrijgezellenleven geniet, maar ook doodsbang is ouder te worden. De drie mannen zijn jeugdvrienden en komen een lang weekend bijeen in de Spaanse villa van Rob en Vera.

Heintz en haar man wonen vijf maanden per jaar in een soortgelijke villa. In een klein kustplaatsje, vlakbij een met groen omgeven baaitje met een mooi zandstrand. Het betere deel van de Costa Brava, waar ook de gegoede Catalaanse burgerij vakantie viert. De crisis in Spanje is ook aan dit stukje goudkust niet voorbijgegaan: veel tekoopbordjes en de terrassen zitten er niet zo vol als enkele jaren terug. Maar ze is er minder nijpend als aan andere costa’s. Daar zijn Noord-Europese pensionados – vooral Britten, maar ook Nederlanders – de afgelopen jaren met duizenden weggetrokken. De leegstand is er zo massaal dat de eerste koopjesjagers alweer terugkeren.

Hier vind je dan ook geen polonaisecafés of all-you-can-eat-restaurants zoals elders aan de Spaanse kust. Of zoals Heintz zegt: „Je treft hier geen Hollanders die om half zes achter de sperziebonen zitten. Het is hier toch meer afdeling OSM [Ons Soort Mensen, red.].”

Zij en haar man zijn beiden nog druk. Zij schrijft en hij leidt als oud-hoogleraar oncologie in Indonesië artsen en verpleegsters op. „Je moet nieuwe uitdagingen zoeken en vinden, anders zit je alleen maar op het terras. Met uitdagingen houd je je brein scherp. Dat heeft adrenaline nodig.”

Met hun vrienden aan de costa, bijna allemaal Nederlanders, maken ze daarom lange fietstochten door de streek. Dat helpt, legt Heintz uit, terwijl ze haar oude Volvo door het achterland van de kust stuurt. „Als je fietst, drink je de avond ervoor niet te veel. Drank is namelijk wel een valkuil. Voor je het weet zit je ergens uitgebreid te lunchen of te dineren. Die verleiding is er altijd. Maar waar eindig je dan: met alleen maar beetje tuinieren, eten en drinken?”

„Mijn boek gaat niet over mij of mijn vrienden”, zegt Heintz, „maar de personages zijn wel gebaseerd op wat ik zie bij leeftijdsgenoten en zelf meemaak. Als je de leeftijd van 65 bereikt, sluit je een hoofdstuk af. Dat gaat altijd gepaard met beschouwingen over wat gaat komen. De toekomst krijgt een steeds langer verleden. Het is een vierde jeugd, maar ook het laatste kwartaal. Er is dus geen mens die niet bijna dagelijks aan de dood denkt.”

De kunst – en dit zal een terugkerend gespreksonderwerp blijken – is om desondanks toch te blijven genieten. Door niet de hele tijd bezig te zijn met het levenseinde. Maar tegelijkertijd ook dankbaar te zijn dat heel veel dingen nog kunnen. „Het is een cliché: maar pluk de dag”, zegt Heintz, terwijl ze nog een rode Gauloise opsteekt.

De omgeving helpt. De Empordà geldt als een van de mooiste streken van Noord-Spanje. Een glooiend, bijna Toscaans landschap van akkers bezaaid met heuvels met daarop dorpjes met prachtige Middeleeuwse centra. Terrasjes in de schaduw van een 16de eeuwse kerk. Antiekwinkeltjes. Boetiekhotels. „Als wij hier door het prachtige achterland fietsen, dan komt de schoonheid daarvan veel dieper binnen in het besef dat ik blij mag zijn dit nog te kunnen.”

Spataderen

Ook haar personages slingeren heen en weer tussen ontkennen en erkennen dat ze ouder worden. In de Spaanse villa worden de lichamelijke gebreken plastisch en gedetailleerd besproken. Van prostaatonderzoeken en impotentie bij de mannen tot spataderen en urineverlies bij de vrouwen. Het gaat ook veel over seks.

Het meest gaat het misschien nog wel over relaties op leeftijd. Huisvrouwen die decennialang het rijk voor zich alleen hadden en nu een man naast zich moeten dulden. Op nogal puberale wijze wordt onderling gepeild of en zo ja in welke frequentie men ‘het’ nog doet. Heintz: „In mijn vriendenkring wordt er niet zo openlijk over gesproken, maar iedereen wil het natuurlijk wel weten van elkaar.”

Belangrijke bijrollen zijn er voor de kinderen, over wie de zorgen nooit overgaan. Zijn ze al lang het huis uit, dan liggen ze wel in scheiding of wentelen de zorg voor de kleinkinderen af. Het ‘grootouderproletariaat’ noemt het boek de vaste oppasdagen die opa en vooral oma krijgen opgedrongen.

Een tweede huisje is geen uitweg om aan dit soort sores te ontsnappen, zegt Heintz. „Maar het is natuurlijk wel net een stuk prettiger om hier vijf of zes maanden per jaar te kunnen zitten. Zo’n wijntje aan het einde van de middag op het terras aan de baai, smaakt net even beter.”

Maar er zijn ook keerzijdes: „Het is risico is al groot dat je als gepensioneerden alles samen gaat doen. In zo’n tweede huis kun je elkaar nog meer op de lip gaan zitten.” Een tweede huis is ook veel werk. „Vorig jaar had het zwembad dood water. En laatst werd er ingebroken. De eerste twee dagen dat we aankomen, zijn we altijd druk bezig met klussen. Je moet geen slaaf van je huis worden.”

We gaan naar een van de beste hotels van de streek, dat wordt gerund door een Nederlands stel. Albert Diks was nog geen veertiger toen hij zijn aandeel in een beddengigant verkocht en nooit meer zou hoeven werken. Hij kocht echter een vijf eeuwen oud kasteel op een heuvel in de Empordà, dat hij renoveerde tot viersterrenhotel. Het idee van Diks (nu 53) en zijn 16 jaar jongere vrouw was aanvankelijk om het klein te houden: zij in de bediening, hij koken. Inmiddels hebben ze dertig man personeel in dienst.

Hun hotel is populair bij beroemdheden. Enkele Nederlandse profvoetballers vierden er hun bruiloft, net als recent volkszanger Jeroen van der Boom. De chef-kok van El Celler de Can Roca, het beste restaurant van de wereld, komt er wel eens uitpuffen op het terras. Lance Armstrong en Sheryl Crow waren vaste gasten toen de Amerikaanse wielrenner nog een deel van het jaar in Girona woonde. Ook Yolanthe en Wesley waren geïnteresseerd, maar kozen uiteindelijk een Italiaanse trouwlocatie. Diks: „Gelukkig. Zo’n sterrenbruiloft is een bak ellende.”

Ciel Heintz schuift deze middag bij Diks aan op het terras. Ze kent hem niet persoonlijk, maar komt hem wel eens tegen in het Ryanairvliegtuig van en naar Girona. „Veevervoer, maar wel betrouwbaarder dan Transvertragia.”

Het blijkt meteen te klikken. Als Heintz zichzelf introduceert met „ik heb een boek geschreven over pensionado’s die leven aan de Spaanse cos...” maakt hij haar zin af met: „ ...zelfkant”. Later in het gesprek vraagt de hotelier of ze Spaans spreekt. „Te weinig”, antwoordt ze. „Het gaat niet verder dan een opdracht geven aan de tuinman.” Hij: „Is ook belangrijk.” Zij: „Heel belangrijk.”

Diks werkt nog vijftig uur per week en verblijft in tegenstelling tot de meeste pensionado’s het hele jaar door hier. Als inwoner krijgt hij echter veel mee van hun leven in de streek. Zo heeft een van zijn vaste klanten een Amerikaans reisbureautje dat voor babyboomers fietstochten organiseert. „Die zijn allemaal tussen de 55 en 65 en fietsen zich tien dagen helemaal suf. Mijn ouders hadden daar op die leeftijd helemaal geen puf voor.”

Maar hij ziet ook andere kanten. „Je hebt wel eens trieste dingen. Als een stel een heel paradijsje heeft gebouwd, er eentje overlijdt en de ander achterblijft.” Of: „Je hebt van die Nederlanders die de hele dag in hun eigen gemeenschapje ruzie zitten te maken.”

Olijfboomgaard

Diks raadt aan langs te gaan bij Hans de Jong en zijn vrouw, die even verderop een olijfboomgaard hebben. Ze maken er olijfolie die door de beste koks van Nederland en Spanje wordt afgenomen. Een van hen is driesterrenkok Josep Roca van Celler de Can Roca.

De volgende ochtend rijdt Heintz erheen met haar vrienden Jos en Im. Zij wonen in een enorme villa een baai verderop en willen vanwege hun vermogen liever niet met hun achternaam in de krant.

Op zijn landgoed ontvangt olijfoliemaker De Jong zijn gasten. Hij toont de bomen, legt het productieproces uit en laat de olie proeven. Net als hotelier Diks heeft hij het nu drukker dan hij vooraf had gedacht, legt hij uit op zijn veranda. Hij was vicepresident bij een chemiemultinational toen hij met pensioen ging. „We hadden dit terrein al en dachten: we planten wat bomen en kijken hoe het gaat.”

Nu is hij op zijn 73ste druk met zijn boomgaard. „Wat doe je als je een dag vrij bent?”, willen de bezoekers weten. Hij: „Vrij? Dat ben ik eigenlijk geen dag. Maar ik heb geen baas boven me, dus ik heb geen stress.” Heintz: „Je wilt nog wel vijf jaar door.” Hij: „Ja, als het mag van boven.” Zij: „De passie houdt je toch ook gezond.”

Die opmerking brengt het gesprek op ouder worden. Volgens De Jong heeft het amper zin om erg gezond te gaan leven. „99 procent wordt bepaald door je DNA, een heel klein beetje ligt aan voeding en sport.” De bezoekers, allen enthousiaste fietsers, zijn het daar niet mee eens. De Jong wil zijn stelling niet afzwakken. „Ook de smaak van olijven wordt voor 90 procent bepaald door de variëteit. En 10 procent door wat je er verder mee doet. Zo is het met mensen ook.”

Dan is het tijd voor lunch, op het terras van Castell d’Empodrà. Net als Ciel Heintz zijn ook Jos en zijn van oorsprong Britse vrouw nog druk na hun pensionering. Hij werd rijk door zijn bedrijf te verkopen aan een investeerder. „Ik had alleen verstand van dat bedrijf, maar toen had ik ineens een enorme zak geld. Nu ben ik druk te proberen geen geld te verliezen.”

Beiden hebben het boek van Heintz gelezen, vertellen ze tijdens de lunch. De directheid en het geruzie herkent Im niet. Maar de thema’s die besproken worden wel. Bijvoorbeeld het ouder worden of alleen zijn op hogere leeftijd. „Mijn eigen vriendinnengroep van zes vrouwen telt alleen al drie weduwen.”

Jos vertelt dat hij het belachelijk vindt, dat hij met zijn vermogen AOW ontvangt. In het boek schampert Boudewijn dat hij van die ouderenuitkering net de servicekosten van zijn luxe flat in Noordwijk kan betalen. Maar volgens de dames aan tafel wil Jos het geld ook niet ontvangen omdat het confronterend is. Jos ontkent: „Ik ben helemaal niet in ontkenning. Daar heb ik helemaal geen tijd voor.” Zijn vrouw: „Mr. Denial sits there. Met dat autoracen van je.”

Op de weg naar het hotel had Jos al verteld dat hij van snelle auto’s houdt. Naast het verzamelen van kunst, wijdt hij een deel van zijn tijd aan racen. Maar hij ziet hier geen ontkenningsgedrag in. „Je hebt nu eenmaal ballenjongens, die gaan golven of zo. En je hebt jongens die van snelheid houden. Mijn hele familie heeft dat.”

Volgens Heintz is het de kunst om zinvol ouder te worden. Im: „Dan is het ook niet meer nodig om in denial te zijn.” Jos bekijkt dat anders: „Ja, je gaat een andere levensfase in, met minder verantwoordelijkheden en toch met meer mogelijkheden. Het is een kunstmatige knip, de een is met 60 al oud. De ander is met 75 nog kwiek.” Im: „I love denial.”

Heintz herhaalt dat ze juist meer geniet door zich bewust te zijn van haar oplopende leeftijd. Jos: „Helemaal niet mee bezig. Helemaal geen tijd voor. Je klinkt als een oud wijf.” Im werpt tegen: „Maar er gaan mensen dóód in onze omgeving.” Net als Ciel spelt ze de overlijdensadvertenties. „In die van de NRC zijn de doden van 1918, maar in de Volkskrant van 1948. Dat is míjn jaar.” Vóór de overlijdensadvertenties leest ze daarom altijd eerst de geboorte- en huwelijksaankondigingen. „Dat geeft hoop.” Jos luistert hoofdschuddend: „Ik kijk liever naar de beurskoersen.”

Van Sambeek: Pensionado’s. Prometheus. 320 pagina’s, € 19,95