In Toscane komt Sotsji dichterbij

Over vijf maanden willen de schaatsers van coach Jac Orie scoren op de Spelen in Sotsji. De zwaarste voorbereiding deden ze afgelopen week. „Dit gaat erg pijn doen, en lang ook.”

Gerben Jorritsma van de schaatsploeg van Jac Orie op de skeelerbaan in het Italiaanse Cecina. Foto Tim Senden

Als hoopjes gemaaid gras liggen ze verspreid over het asfalt op de steile klim net na het Toscaanse gehuchtje Riparbella. Amechtig hijgen van Stefan Groothuis, Kjeld Nuis en de andere schaatsers van hun ploeg vermengt zich met het geluid van blaffende honden bij wat omliggende boerderijen. Dertig graden, prachtig uitzicht op het dal. Italiaanse idylle, maar niet iedereen heeft er oog voor. Vier keer een minuut lang voluit sprinten tegen een helling van 16 tot 18 procent stijging. „Ze zijn nog nooit zo rustig geweest”, constateert coach Jac Orie met een grijns, als hij zijn schaatsers in een busje naar beneden rijdt. „Moet je horen.” Nog steeds louter gehijg.

Wie denkt aan Sotsji en schaatsen, de eerste week van september in de Italiaanse badplaats Cecina? Bruin verbrande toeristen, pizza en gelati, Toscane om de hoek. Maar voor de schaatsers uit de ploeg van Orie zijn de Olympische Winterspelen nooit ver weg. Zie ze met hun jaloersmakende topsportlijven met halters stoeien bij een restaurant aan de boulevard, skeeleren op een baantje van wielerclub Ciclista Cecina. En vooral: bergop sprinten bij Riparbella. De beruchte hill-tempo’s, de zwaarste trainingen van het hele seizoen. Dit is het werk achter de winnende honderdsten van een seconde, straks in februari op het ijs. „Sotsji is dichterbij dan je denkt”, zegt Orie. „Ik voel het al. Laat staan hoe het voor die gasten is.”

Assistent-coach Sicco Janmaat stuurt het busje eind van de middag behoedzaam Cecina uit. „Kijk daar ligt-ie”, wijst hij bijna vertederd op een berg in de verte, waar het allemaal moet gebeuren. „Echt traditie in onze ploeg”, vertelt Laurine van Riessen, al voor het zevende jaar met Orie in Cecina. „Altijd op de tweede maandag van dit trainingskamp. Iedereen is gespannen, iedereen wil volle bak. Je zit elkaar al van tevoren gek te maken. ‘Ik ga je eraf lopen’, beetje stoer doen. Je gaat er ook in als een echte wedstrijd. En iedereen weet: dit gaat erg veel pijn doen, en lang ook.”

Vijf vrouwen en zes mannen staan om tien voor zes klaar over de volle breedte van de weg. Wie in één minuut tijd het verst de helling op komt. „Drie, twee, één”, bast Orie. „Go!” Daar knallen ze weg, sprinter Jan Smeekens voorop. „Je weet dat die andere jongens terugkomen en me er aan het eind afmaaien”, zegt de winnaar van de wereldbeker op de 500 meter na afloop. Na een minuut stort hij volledig kapot op het asfalt. Laatste. „Al als je daar ligt en die andere gasten ziet… Maar hoe erger het op dat moment voelt, hoe mooier achteraf. En ik ga wel helemaal naar de kloten, maar ik herstel snel.”

Naar beneden in het busje van Orie, een prikje in de vinger door fysio Willem Kruithof om te meten hoeveel melkzuur is aangemaakt. Dan precies twaalf minuten rust. „Hill-tempo’s zijn al uit de oertijd van het schaatsen”, legt Orie uit. „De truc van deze training schuilt in de rust en de hellingshoek.” Op een klim met een stijging tussen 16 en 18 procent benader je lopend de ‘streksnelheid’ van een schaatser, becijfert de Haagse bewegingswetenschapper, die een proefschrift voorbereidt over schaatstraining. En de twaalf minuten rust tussen de sprints levert precies de gewenste hoeveelheid melkzuur, of lactaat aan afvalstof. Net genoeg om weer te kunnen sprinten, net te weinig om het lactaat te ver te laten zakken.

Monocarbocylate transporters

„Ze moeten een uur lang in een lactaatwaarde van 10 tot 14 blijven”, doceert Orie later bij hotel . „Niet langer want dan ga je echt kapot. Niet korter, want dan mis je een stuk van het effect dat je beoogt.” Zijn schaatsers zijn grotendeels gespecialiseerd op de middenafstanden 1.000 en 1.500 meter, waar het lactaat in de slotfase torenhoog wordt. Vandaar het belang van deze training. „Het lichaam heeft een systeem om lactaat te hergebruiken. Dat wil je prikkelen. Monocarbocylate transporters zorgen voor het transport van lactaat. Dus die dingen wil je omhoog krijgen. Maar als je dat te veel doet, krijg je ergens anders een douw. Dat is het gemene eraan. Je kunt dit niet te vaak doen.”

De theorie in praktijk? „Als je beneden aan de klim staat en Jac telt af, dan voel ik me net als voor een 1.500 meter”, vergelijkt Kjeld Nuis. „Je weet dat je helemaal naar de kloten gaat. Net als je denkt dat je er bijna bent, hoor je: ‘der-tig!’ Ben je op de helft. Op een gegeven moment kun je je armen niet meer lekker bewegen, de coördinatie wordt minder. Het houdt gewoon op. En juist dan moet je doorgaan.”

Kijk hem stiekem een beetje inhouden bij de eerste sprints. „Zag je het ook”, vraagt Orie, die allang een te lage lactaatwaarde (9) heeft geconstateerd. Maar in de derde sprint vliegt Nuis. Lactaat van 14. „Ik ben van nature geen makkelijke loper”, zegt de Leidenaar. „Je weet dat je kansloos bent als Ronald (Mulder) er als een hinde vandoor gaat. Maar dan word ik gierig. Kies ik er gewoon één uit. En die win ik nog ook. Hahaha.” Met een gebaar van twee vingers in de neus stapt hij in de bus. „Ratje”, stelt Orie liefkozend.

Waakhond

Sfeermaker ook, de 23-jarige Nuis. „Ma-yo-naise”, schalt er dan ineens door hotel Piccola Stella. „Ze doen hier ’s ochtends aquajoggen, draaien ze dat liedje. Word je schijtziek van. En nachts gaan ze nog steeds door bij de karaoke. ‘Mayonaise!’ Je hebt op Whatsapp nu van die voicechats, heb ik vannacht naar Jan Smeekens gestuurd. Beetje knallen.” En op de laptop eigen muziek voor bij de krachttraining. „Moet lekker lomp zijn. Ik ga niet naar Jody Bernal luisteren als ik aan die gewichten hang.”

Constant competitie, bij tijdritten op de fiets of in het openluchtkrachthonk aan zee. „Heb ik je nou ook bij de krachttraining al te pakken”, vraagt Nuis aan Groothuis als hij zijn persoonlijk record bij het ‘voorslaan’ op 110 kilo brengt. Zo jagen ze elkaar op, Orie als waakhond. „We doen steeds testjes, 85 procent van onze keuzes in trainingen klopt. De rest blijft gevoel.”

Zoals die vierde sprint bergop bij Riparbella, waar routinier Groothuis iedereen ‘er op legt’. De wereldkampioen sprint van 2012 kampte dat jaar met een depressie en zag vorig seizoen mislukken door een virus. Nu kan hij niet stuk. „Het ging om de laatste sprint toch”, roept hij uitdagend naar Orie en de rest.„Je hebt geen enkele garantie voor Sotsji. Als je hier niet vol gas gaat, kun je het sowieso vergeten.”