Ik zoek het bewijs van ons bestaan

Fotograaf Koos Breukel is bekend van zijn portretten. Sinds hij bij een dodelijk ongeval was betrokken, kijkt hij anders. ‘Ik had nieuwe beelden nodig om het te verwerken.’

tekst Rinskje Koelewijn foto Ilja Keizer

Fotograaf Koos Breukel met voor zich een mutsje. „In Papoea-Nieuw-Guinea fotografeerde ik samen met Roy Villevoye dorpelingen, die ter plekke een print kregen. Een etnografisch handelaar stuurde mij later een foto van zo’n mutsje: dat bleken die mensen gemaakt te hebben van de linten uit onze printercassettes. Ik heb het meteen gekocht.”

Hij werd vijftig. „Tijd voor een meesterwerk.” Koos Breukel, fotograaf, houdt duim en wijsvinger zeker tien centimeter uit elkaar. „Zo’n lekkere, dikke pil.” Het boek heet Me We – The Circle of Life, en bevat een selectie uit zijn fotoarchief van de afgelopen twintig jaar. „Bloed, zweet, tranen, vlees en bloed. Alles zit erin.” Zwangere vrouwen, de geboorte van zijn kinderen, het sterfbed van vrienden, zijn vaders overlijden, beelden van zijn moeder als weduwe. „Het werd vanzelf een levenscyclus.” Het is hem gelukt, zegt hij, om iets van het leven te vangen.

Hij komt met zijn bootje de Vinkeveense Plas overgevaren. Hij heeft daar een vakantiehuis waar hij de hele zomer is geweest met zijn vriendin en kinderen van 3 en 6 en zijn zoon van 13 (van een andere vriendin). Op zijn eilandje heeft hij zijn boek afgemaakt, en de tentoonstelling – met dezelfde titel – samengesteld voor het Fotomuseum in Den Haag. Vanavond is de opening. Foto’s van schrijver Jan Wolkers drie weken voor hij overleed, kunstenaar Lucian Freud. Typische Koos Breukelportretten. Schilderij-achtig, tikje melancholiek, dicht op de huid, maar toch afstandelijk. Psychologische portretten worden ze wel genoemd. Hij is ze gaan maken na zijn dertigste. Na het jaar van de „omwenteling”.

In 1992 was hij betrokken bij een aanrijding met dodelijke afloop. „Dat ongeluk was mijn breekpunt.”

Vóór de omwenteling fotografeerde hij ook, maar anders. Landschappen. Portretten van zakenmannen voor maandblad Quote. Covers voor tijdschrift Elsevier. „Mijn vader was daarop geabonneerd.” Zijn vader was directeur bij Esso. Serieuze man, degelijke baan „Hij was ook dirigent van een Gregoriaans koor.” Hij rilt. „Verschrikkelijk.” En zijn vader maakte zich zorgen om hem, Koos. „Ik liep weg tijdens het havo-examen. Bij economie. Om precies te zijn bij de meerkeuzevraag: ‘Wat is een break-evenpoint?’ Ja jezus, wist ik het. Dat vond ik totaal niet interessant.”

Hij was toen al aangenomen op de mts voor fotografie. „Mijn docent was de vader van David S. Je weet wel, die jongen over wie Yvonne Keuls een boek schreef. Die helemaal kapot ging aan de heroïne. De directeur bekeek mijn werk en zei: ‘Je hebt ons eigenlijk niet nodig, maar kom toch maar’.” Die school heeft hij afgemaakt. „Vooral voor mijn vader.” Die was apetrots dat zijn zoon al snel ‘captains of industry’ mocht fotograferen voor ‘zijn’ blad. „Hij zocht in de bibliotheek alles op wat er te weten viel over die mannen en stuurde mij dat op. Alles om toch maar met zijn zoon te bonden.”

Aandoenlijk. Nadenkend: „Aandoenlijk, ja.” En lukte dat bonden? „Hij begreep niets van fotografie. Mijn moeder wel, die was zelf een goede amateurfotograaf. Ze gaf me mijn eerste camera en vond het mooi wat ik maakte. Hij vond vooral mooi wie er op het plaatje stond. Maar we hebben toch wel een sterkere band gekregen.”

Op de plas achter ons zijn mannen aan het flyboarden, een nieuwe watersport die lijkt op trampolinespringen op het water. Onder onze parasol wordt het broeierig warm. We drinken water, Koos Breukel bestelt ook een witte wijn. En dan vertelt hij, heel beeldend en precies, wat er in 1992 gebeurde. Hij was voor een opdracht onderweg naar Den Haag. Zakenvrouw Sylvia Tóth fotograferen voor Quote. Door de Schipholtunnel. Linkerbaan. Zijn assistent rijdt. Hij moet uitwijken, raakt een auto rechts naast hen en vliegt over de kop. „Ik klim uit de auto. Ik leef. Ik zie een man staan naast een autowrak. Ernaast ligt een lichaam. Zijn vrouw, zal later blijken. Ze is dood. Het hoofd van die man zit onder het bloed, hij staat in een plas benzine. En hij probeert met een aansteker de sigaret in zijn mond aan te steken.” De man wordt tijdig overmeesterd door de brandweer. „Ik ben als een ander mens uit de tunnel gekomen.”

„Andere mensen willen praten over wat er is gebeurd, ze schrijven het op, ze worden depressief. Ik had nieuwe beelden nodig om het ongeluk te verwerken.” Hij stopte met losse klussen voor de bladen. „Ik wilde me langer en intensiever concentreren op één onderwerp. Zelf een onderwerp kiezen en dat uitdiepen.” Hij maakte portretten van mensen die geen zicht hebben in één oog. Maakte een fotoboek over zijn vriend, theatermaker Michael Matthews, die aan aids lijdt en op elke foto dichter bij zijn dood is. In Volendam fotografeerde hij ouders die een kind hadden verloren. Hij zocht de overlevenden op van de vliegramp bij Faro (21 december 1992).

Hoopte hij te ontdekken hoe dat eruitziet, overlevende zijn? „Zoiets. Zomaar ineens ben je zelf een survivor.” Na de tunnel was hij zijn leven nog twee keer bijna kwijt. Een keer voor zijn voordeur in Amsterdam, toen twee jongens hem neersloegen, van geld en telefoon beroofden en voor dood achterlieten. En een keer fotograferend op een strand bij een Afrikaanse sloppenwijk, waar een plukje lokalen zich ineens tegen het blanke cameraploegje keerde. Hij zwijgt even als ik vraag wat bijna-doodervaringen te maken hebben met fotografie. „In elke foto hoop ik het bewijs te vinden van ons bestaan.”

Na het ongeluk stapte hij over van een houten platencamera naar digitaal. „Eerst wilde ik steeds meer huid zien. Daarvoor had ik een groter negatief nodig, en dus een technischer camera. Ik hield van die Spartaanse manier van fotograferen. Steeds een nieuwe filmcassette erin voor je verder kunt. Het dwingt je te selecteren voor je afdrukt. Maar het was wel heel onpraktisch.” Hij ging over van zwart-wit op kleur. „De wereld ging open.” Kunstrecensenten begonnen zijn portretten ‘hedendaagse olieverfschilderijen’ te noemen. Niet een schilder, maar hij maakte het eerste portret van Willem-Alexander en Máxima als koning en koningin.

Jan Wolkers

Hij heeft nauwelijks iets gegeten van zijn salade niçoise met rauwe tonijn. Geen tijd voor. Hij is nu aan het vertellen over zijn bezoek aan schrijver Jan Wolkers op Texel. „We waren in zijn atelier. Ik zie een foto van hem staan, van lang geleden. ‘Hé’, zeg ik, ‘daar lijk je net Jan Cremer’.” Ook een schrijver, maar bepaald geen bevriende. „Woest was hij.” Koos Breukel houdt nu zijn duim en wijsvinger een millimeter van elkaar. Om te laten zien hoe dicht hij Wolkers met de camera op de huid zat. „In het portret zie je de zwakte van zijn ouderdom én de kracht die uit zijn ogen vlamt. Ik stuurde hem na afloop de foto’s. Hij belde speciaal om te zeggen hoe blij hij ermee was.” Kort daarop overleed hij. Dichter Simon Vinkenoog en fotograaf Ed van der Elsken fotografeerde hij ook daags voor hun dood. Toeval, zegt hij. „Vrienden van me maken er grappen over: pas op, daar komt Koos weer met zijn Camera van Damocles.”

Voor het ongeluk, zegt hij, wilde hij alles weten van de persoon voor zijn lens. Naam, leeftijd, beroep, voorgeschiedenis, cv. „Nu ontmoet ik iemand. Hier en nu. De foto gaat over die ontmoeting. Ik zie wel waar mijn nieuwsgierigheid me brengt. Ik probeer heel dichtbij te komen.” Ik weet wel dat hij iets anders bedoelt met ‘dichtbij komen’, maar wat nou als hij dan een dikke laag make-up aantreft? „Dat is lelijk. Je maakt dan een foto van iemand met een masker op.”

Met dichtbij komen, bedoelt hij dat hij iemand probeert te lezen voor hij op het knopje drukt. „Je hoopt dat ze zich in een onbewaakt ogenblik geven. Dat ze even iets van zichzelf laten zien.” En hoe weet hij dat dat zo is? „Ik denk dat ik daar een neus voor heb ontwikkeld. Ik voel aan of er iets gaande is. Is de persoon voor me happy? Toont een gezicht wanhoop, verdriet, een wond uit het verleden?”

En lukt het altijd om iets van de persoon te vangen? Wanneer ‘heeft’ hij het?

„Van de honderd portretten, heb ik ‘het’ negentig keer niet.” En de tien foto’s die overblijven, hebben het wel omdat? Hij denkt hardop. „Ze zijn niet cosmetisch mooi. Geen opgesmukte schoonheid. Het is mooi omdat er suggestie in zit. Een goed portret maakt nieuwsgierig naar de persoon die erop staat.”

Hij werkt het liefst in de studio bij hem thuis in Amsterdam. Soms richt hij ter plaatse een studio in. In het Haagse Fotomuseum houdt hij een aantal fotomarathons. Voor 25 euro kunnen bezoekers een echte Koos Breukel van zichzelf laten maken. „In een paar uur maak ik honderd foto’s. De een na de ander. Als een soort schoolfotograaf.” En altijd blijken er interessante portretten tussen zitten. „Terloops gevangen.” Hij wil maar zeggen: zonder poespas, zonder uren bezig te zijn met iemand – wat hij meestal doet – lukt het óók.

Zoals hij ook hondensnoeten kan portretteren? In Me We staan veel honden. Hij lacht. „Ik heb altijd een hond gehad.” De laatste werd zestien jaar. „Ik was zo aan dat beest gehecht dat ik na zijn dood het mezelf niet wilde aandoen aan een nieuwe te beginnen.” Bovendien, zegt hij, werd kort daarna Caspar geboren, zijn oudste zoon. Me We is een autobiografisch fotoboek. En dus wordt af en toe een levensfase afgesloten met de natte neus van een jack russel of een whippet.

In zijn studio heeft hij een magnetische wand. Daar plakt hij foto’s op, elke week andere. „Zo leer ik mijn portretten kennen. Ik moet afkicken van de persoon, het moet een beeld worden.” Het afgelopen jaar heeft zijn archief aan de muur gehangen. Een half leven. „Zo ontstond vanzelf een oeuvre. Welke beelden mochten blijven hangen, en welke niet.” De ‘blijvers’ staan in het boek. „Dat zijn de foto’s waar je lang naar blijft kijken, omdat je ze nét niet helemaal snapt.”