Ik heb gewoon erg veel ruimte voor mezelf nodig

Schrijfster en vertaalster Barber van de Pol (68) schreef een aanstekelijk boek over het genot van zingen.

Zingen

„Een leven zonder zingen? Ondenkbaar. Zonder zingen zou ik te eenzijdig zijn, alleen maar een denker. Maar als je zingt, treed je uit je geest en ga je op in het moment. Leo Vroman zou zeggen: je voelt zowaar even ‘het systeem’. Voor mij is dat een welkom tegenwicht tegen het voortdurend neurotisch bezig zijn met taal. Als kind kreeg ik een keer een ansichtkaart. Daarop stond een meisje dat de ramen opengooit. Op de rand van haar venster zit een zingende merel. Ik vind dat een betoverend beeld, dat het gevoel dat zingen mij geeft illustreert. Venster open, frisse lucht inademen, de wereld in.”

Arbeidersnest

„Ik kom uit een arbeidersgezin. Mijn vader, die sigarenmaker was, was erop gebrand dat mijn broertjes en ik zouden gaan studeren. Ironisch genoeg vonden mijn vriendjes op de universiteit hem later een held, juist omdat hij arbeider was. Mijn vader wist beter. Hij wilde niets liever dan dat zijn kinderen het beter zouden krijgen. Dat geeft mij ook een verantwoordelijkheidsbesef. Mijn vader overleed jong, maar hij bleef mijn geweten. Wel een beetje je best doen in het leven. Niet je intellectuele vermogens verkwanselen.”

Guus Meeuwis

„Sociaal klimmen is gedoe. Ik heb nooit handjes leren geven. Toen ik twaalf was had ik een vriendinnetje wier vader leraar was. Zoals die moeder naar me keek! Een beetje een buitenbeentje voel ik me soms nog steeds wel. Geen rolmodel hebben is gewoon lastig. Maar misschien heeft iedereen dat. Je ‘klopt’ altijd maar voor een deel met het beeld dat je van jezelf hebt. Tijdens het zingen valt die onzekerheid weg. Zingen is ook niet klassegebonden. Ik vind Guus Meeuwis óók ontroerend, gewoon door iets kwetsbaars in zijn stem.”

Spaanse gitaar

„Ik was als puber veel aan het tekenen. Het plan was dat ik naar de Rijksacademie van beeldende kunsten zou gaan. Maar eigenlijk sloeg ik mijn eigen tekentalent niet zo hoog aan. De keuze voor een studie Spaans ontstond toevallig. Frans, Engels, Nederlands, Duits? Dat zijn talen die je op school ook al hebt geleerd. Toen ontmoette ik een meisje dat Spaans ging doen. Ja natuurlijk, dacht ik. Dát is het. De studie was inderdaad spannend – net als het hele studentenleven. Het Maagdenhuis? Ik was erbij. Ik was niet echt een hippie maar wilde wel een breed en opwindend leven leiden. Mensen die helemaal samenvielen met hun studie irriteerden me. Die hadden dan zo’n Spaanse gitaar aan hun muur hangen. Stom! Waarom kan dat nou niet een poster van iets moois maar Duits zijn?”

Don Quichot

„Het Spaans heeft me veel gebracht. Net in de periode na mijn afstuderen was er een enorme honger naar actuele Zuid-Amerikaanse literatuur. Ik heb er veel van vertaald. Maar een van de allerleukste vertaalklussen was Don Quichot (1605-1615). Als je een boek gaat vertalen, weet je nooit precies waar je aan begint. Vertalen is een extreme vorm van close reading, dus als een roman je na één keer verveelt, is dat op zijn zachtst gezegd jammer. Maar bij Don Quichot was het tegendeel het geval. De dialogen zijn intens geestig – een en al misverstand.”

Rafels

„Cervantes steekt in Don Quichot voortdurend de draak met de waarheid. Daar houd ik van, boeken met veel licht en lucht. Dat sprak me ook aan in het werk van Jorge Luis Borges; nog een geest die wars is van pretentie. Net als Cervantes vertegenwoordigt hij het fantastische genre, niet alles wat gebeurt kan. Beiden graaien hun werk ook bij elkaar met citaten uit verschillende tijden en culturen. Poëzie, verhaal en beschouwing lopen door elkaar. Tegelijk zit er enorm veel autobiografie in. Ze lopen allebei niet in de pas. Daar moet ik om lachen. Het is prettig als de rafels er een beetje bij mogen hangen.”

Sinterklaasgedichten

„Het liefste werk ik aan één groot project, dat ik kan afwisselen met kleine dingen. Lesgeven op de Schrijversvakschool, een column of een ander kort stuk schrijven, een gedicht vertalen. Ik lees graag en veel poëzie. In gedichten raakt de taal los van de ratio en zoekt men naar het formuleren van oerervaringen. Moderne poëzie is natuurlijk ook vaak heel fragmentarisch. Als het de schrijver dan toch lukt eenheid te scheppen – dat vind ik groots. Zelf schrijf ik vrijwel alleen sinterklaasgedichten. En zelfs daarin is mijn oudste kleinzoon me voorbijgestreefd, hij is grappiger en gewaagder. Een geweldig gevoel is dat, door je eigen kinderen of kleinkinderen te worden overtroffen.”

Ruimte

„Ik heb drie dochters en zeven kleinkinderen. Soms pas ik een ochtend op de jongste. Oppassen vind ik leuk, mits ze precies op de afgesproken tijd weer worden opgehaald. Anders word ik onrustig, dan is mijn hoofd alweer bezig met wat ik daarna ga doen. Al vrij vroeg in mijn huwelijk ontdekte ik dat samenleven niet voor mij is. Aan mijn ex [econoom en historicus Arnout Weeda, red.] lag het niet, hij is een ideale man. Aardig, leuk en interessant. Maar ik heb zelf gewoon erg veel, misschien te veel, ruimte voor mezelf nodig. Soms denk ik wel: alleen willen zijn zou normaler mogen zijn. Niet met iemand samenleven is echt geen mislukking.”

Co-ouderschap

„Mijn ex-man en ik brachten co-ouderschap in de praktijk voor dat was uitgevonden. Soms was de opvoeding ingewikkeld, natuurlijk. Zeker in de puberteit. Maar ik heb geprobeerd de regie in handen te houden, en dat is gelukt. In de woonkamer was ik de baas, op hun eigen kamers mochten ze doen wat ze wilden. Mijn oudste nam wel eens de regie over, maar zij is ook gewoon verstandiger dan ik. Mijn jongste was de diskjockey als we met de auto naar oma reden. Dan leerde ze me haar favorieten kennen, Doe Maar, Bob Marley, Prince en andere, nieuwere zang die ik niet had bijgehouden. Heel bevredigend voor ons allebei. Als moeder heb ik eigenlijk altijd gewoon maar vertrouwd op mijn intuïtie, en voor mij heeft dat gewerkt.”

Koor

„Met een van mijn dochters ben ik op een gegeven moment in een koor gaan zingen – op haar verzoek. Dat doe ik nog steeds. Ik denk dat het voorziet in eenzelfde behoefte als waarom mensen naar de kerk gaan: je even onderdeel voelen van iets universeels. Ik koppel die ervaring alleen niet aan God. Wat ik dolgraag zou willen is dat zingen weer een verplicht en serieus vak wordt op de basisschool. Met een rapportcijfer. Ik heb er zelf als kind zo intens van genoten… Het is echt zonde dat dat dagelijkse plezier kinderen nu wordt onthouden.”

Autobiografisch

Zingen is geluk gaat over mij – en over anderen die gelukkig worden van zingen. Ik raap van alles bij elkaar. Mijn romans zijn ook niet dood gecomponeerd. Als ik ga schrijven is mijn hoofd natuurlijk wel vooraf gemobiliseerd, maar elke roman begint als een sprong in het duister. Schrijven is wat gebeurt als je je hoofd zijn gang laat gaan. De ene keer lukt het beter dan de andere. Mijn laatste roman, Leonards lijstjes, stond achteraf gezien te dicht bij me, was te veel een verslaggeving van mijn eigen leven. De kunst is van het particuliere iets algemeen herkenbaars te maken.”

Barber van de Pol: Zingen is geluk. De Bezige Bij. 224 pagina’s, € 18,90