Het Antwerpse wonder

Belgische ontwerpers zijn ongekend succesvol. De modeacademie van Antwerpen heeft de sleutel van het geheim. tekst Milou van Rossum

Foto Philippe Cost

Het was 1987, een jaar nadat ze zich gezamenlijk hadden gepresenteerd op een modebeurs in Londen, waar ze zich The Antwerp Six hadden genoemd. Op die beurs waren ze opgevallen, en de eerste bestellingen waren geplaatst. Het was niet voor niks dat het Amerikaanse modedagblad WWD de jonge modeontwerpers had laten fotograferen als sterren. Net als de Beatles op de hoes van Abbey Road, staken Ann Demeulemeester, Dirk van Saene, Marina Yee, Dries van Noten, Walter van Beirendonck en Dirk Bikkembergs een zebrapad over. De foto was genomen voor de school waar ze waren opgeleid en dikke vrienden waren geworden: de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen.

Zesentwintig jaar later is de internationale modewereld ondenkbaar zonder Belgisch design. Marina Yee is naar de achtergrond verdwenen, Dirk van Saene werkt kleinschalig, maar de modehuizen die Ann Demeulemeester, Dries van Noten, Dirk Bikkembergs en Walter van Beirendonck hebben opgericht, zijn wereldberoemd, net als dat van schoolgenoot Martin Margiela, ook wel de zevende van De Zes genoemd.

Na hen zijn meer Belgische ontwerpers doorgebroken. Kris van Assche bijvoorbeeld, die een eigen lijn heeft en verantwoordelijk is voor Dior Homme en Veronique Branquinho (bekend om haar ingetogen vrouwenmode). En natuurlijk de grote modester van dit moment, Raf Simons, hoofdontwerper van de vrouwenmode van Dior, en onder zijn eigen naam een vooruitstrevend mannenmodeontwerper.

Als we Belgisch definiëren als ‘in België opgeleid’, wordt de lijst nog langer. De Fransman Haider Ackermann (al maakte hij de opleiding niet af), de Italiaans-Oostenrijkse Peter Pilotto, en de Duitser Bernhard Willhelm horen er dan ook bij.

Ook Nederland heeft zijn sporen nagelaten in de internationale mode; Viktor & Rolf, Iris van Herpen en Lucas Ossendrijver, die verantwoordelijk is voor de mannenlijn van Lanvin. Maar aan het succes van België, het land waarmee we ons nu eenmaal graag vergelijken, kunnen we niet tippen. Wat is het geheim van de Belgische mode?

Tentoonstelling

Een deel van het antwoord moet wel bij de Academie voor Schone Kunsten liggen. Van alle succesvolle Belgische ontwerpers is Raf Simons de enige die er niet naartoe ging. Vijftig jaar bestaat de modeafdeling dit jaar, en daarom opent dit weekend een tentoonstelling in MoMu, het Antwerpse modemuseum dat de onderbuurman is van de opleiding: sinds 2001 is die gevestigd op de hoogste verdieping van MoMu’s gebouw.

Lang niet al die jaren zijn de Academie-ontwerpers zichtbaar geweest. Tot de jaren tachtig eindigden ze bijna allemaal in de confectie. „Iemand uit de klas boven mij is gaan werken bij Versace”, zegt Van Beirendonck, sinds 2007 het hoofd van de opleiding. „Zij was de eerste die zoiets deed. We keken enorm tegen haar op.” Van Beirendonck begon zelf in 1976 aan de academie, dankzij een artikel in het Nederlandse tijdschrift Avenue. In dat stuk werd het behoudende Belgische modeklimaat bekritiseerd, maar de Antwerpse opleiding geprezen.

De modeacademie was weliswaar artistiek, ontdekte Van Beirendonck, maar ook ouderwets. Hoofddocent Mary Prijot vond spijkerbroeken iets voor arme mensen en meende dat knieën bedekt dienden te zijn. De modewereld veranderde ondertussen sterk. In de tijd dat De Zes op school zaten, kwamen ontwerpers als Versace, Gaultier en Yamamoto op, die hoogst individuele stijlen hadden – een bron van inspiratie voor Van Beirendonck en zijn vrienden.

Dat in 1980, 1981 en 1982 een groep eigenzinnige, zeer getalenteerde, ambitieuze en elkaar stimulerende ontwerpers afstudeerde, was niet het enige wat ervoor zorgde dat een paar jaar later voor het eerst internationaal succesvolle Belgische designermode ontstond. In 1982 besloot de Belgische regering de mode een impuls te geven met een wedstrijd; de inmiddels niet meer bestaande Gouden Spoel. Deelnemers kregen een patroonmaker toegewezen en werkten samen met fabrikanten – België had in die tijd nog een echte textielindustrie. Alle zeven ontwerpers deden drie keer mee, en namen tussendoor freelanceopdrachten aan. Ann Demeulemeester, Dirk van Saene en Dirk Bikkembergs wonnen de eerste drie edities. Maar voor alle zeven, zegt Van Beirendonck, „waren die jaren een heel goede leerschool”. De praktijkervaring heeft ervoor gezorgd dat de ontwerpers vanaf het moment dat ze met een label begonnen, in staat waren professionele collecties te laten produceren. Na de Japanners waren de Belgen eind jaren tachtig de eerste groep niet-Franse ontwerpers die doordrong tot de Parijse modeweek.

Begin jaren tachtig kreeg Linda Loppa de leiding over de modeafdeling. Loppa was er zelf ook opgeleid en had een boetiek waar ze avant-gardistische mode verkocht. Zij trok in 1985 Van Beirendonck aan als docent, en sindsdien is er binnen de opleiding veel ruimte voor individuele expressie. „Ons doel is de persoonlijke signatuur zo goed mogelijk te ontwikkelen”, zegt hij.

Bakstenen

Het succes van de Belgische mode heeft de Academie internationaal op de kaart gezet. Tegenwoordig melden zich jaarlijks achthonderd kandidaten aan uit de hele wereld, zestig plaatsen zijn beschikbaar. Driekwart valt in de loop der jaren nog af, al dan niet gedwongen. Die internationale toeloop laat onverlet dat er nog steeds een typisch Antwerpse stijl bestaat. Zoals modecriticus Suzy Menkes van The New York Times stelt in de catalogus van de expositie: vooral in de kleren van Antwerpse ontwerpers die nog steeds in de stad werken, zie je het bruin van bakstenen en het „blauw van de lucht net na een regenbui” terug, alsook de „gereserveerde natuur” van de bevolking. Belgische mode kan uitbundig zijn, experimenteel, exotische invloeden hebben, maar altijd zit er ook een zekere degelijkheid, soberheid en kuisheid in – Prijots invloed is nog niet helemaal weg. Dat maakt dat de mode van Belgische ontwerpers opmerkelijk draagbaar is. Bijna alle bekende modehuizen verdienen hun geld met cosmetica en accessoires. Belgische modehuizen met kleding.

Op die draagbaarheid wordt op de academie sterk gehamerd. In Nederland staat de artistieke kwaliteit voorop, iets wat nog eens wordt versterkt doordat veel Nederlandse ontwerpers, in tegenstelling tot Belgische, worden gesubsidieerd door kunstfondsen. Creativiteit is ook in Antwerpen heel belangrijk, zegt Van Beirendonck: „Elke collectie die hier wordt gemaakt heeft een diepere laag.” Maar: „Wij maken geen mode voor in het museum. Je mag best schouders van twee meter breed maken, als je er maar voor zorgt dat het gedragen en verkocht kan worden.”

De lesmethodes die hij hanteert zijn dan ook klassiek: anderhalve dag per week wordt er modelgetekend („Daarvan leer je veel over verhoudingen”). En net als in de tijd van Prijot moeten studenten historische kostuums namaken. Vanaf het tweede jaar maken ze eigen collecties. Studenten werken de hele dag op school, en worden meerdere keren per week beoordeeld. Het is een zwaar programma, erkent Van Beirendonck. „Er wordt gehuild. Wij zijn heel direct, en een deadline is een deadline. Maar zo gaat het in de modewereld ook.”

Nieuwe ster

Wie wordt de nieuwe Belgische modester? Dat zou zomaar de Zuid-Koreaanse Minju Kim (27) kunnen zijn, die uitbundige vrouwenmode maakt waarin technomaterialen worden gecombineerd met handwerk. Deze zomer studeerde ze af met de hoogst mogelijke cijfers. Haar eindexamencollectie wordt verkocht bij de winkel Opening Ceremony in New York, de collectie uit haar derde jaar hangt vanaf 17 oktober bij H&M; ze won vorig jaar de ontwerpwedstrijd van de keten. Er is haar een baan aangeboden bij een bekend modehuis. Maar wie weet, zegt ze, begint ze wel haar eigen label.

Happy Birthday Dear Academie! Van 8 september tot en met 16 februari. momu.be