Een iets te rood, pasgeboren, haarloos poesje

Schrijver Jowi Schmitz kreeg een baby na 26 weken zwangerschap. Drie maanden te vroeg. Ze hield een weblog bij. Nu ligt haar zoon knorrend tegen haar aan in zijn draagzak. Thuis.

Weeënremmers, longrijpers

Daar lig ik dan. In een grote witte kamer met zo’n douche met een zitje. Omdat het kindje waar ik zwanger van ben, al met 26 weken naar buiten wil. Of dreigt te willen. Niemand weet waarom. Niemand weet wat eraan te doen is. Behalve weeënremmers, maar die houden vandaag op. En longrijpers – die ook.

Als het nu al komt heeft het maar vijftig procent kans om te overleven, zei de kinderarts gisteren. En van die vijftig procent heeft vijfentwintig procent ernstige ‘restschade’. Bij dat soort informatie denk ik steeds: dit gaat niet over mij. Dit wil ik niet. Dit gebeurt niet. Alles wat ik aan wegvluchten, wegrennen en niet geloven in me heb, staat op de barricades.

En ik heb vragen. Ik wil weten of een bevalling rekken tot weken een reëel doel is. Of ik in gevaren of hoop moet denken. Of er nog meer prognoses zijn, of ik méér kan doen, of ik méér had moeten doen. Ik wil dat iemand zegt: ‘Het komt allemaal goed. Alles.’

Ik glijd langs iets glads naar beneden en mijn nagels maken dat piepende geluid op een schoolbord.

Winst

Ik vergeet de belangrijke dingen. „Elk uur dat je niet bevalt maakt de kans op een vroeggeboorte kleiner.” Zei de zaalarts dat gisteravond? Wat bedoelde ze ermee, behalve het voor de hand liggende feit dat ieder uur winst is? Ik word er ’s nachts wakker van.

Milo

We hebben een zoon. Hij heet Milo en hij is gisteren om 18:35 geboren. Lag met zijn voeten al naar buiten en dwars bovendien, er was geen houden aan, het kwam uit het niets. Dit gebeurt echt. Dit is nu. Niet te stoppen. Dit is fase twee van het onverwachts keihard door het leven glijden in een glijbaan met een kap, zonder ramen. Ik heb een zoon die is geboren met 26 weken en 1 dag. Hij ziet eruit als een iets te rood, haarloos, pasgeboren poesje. Zijn hoofd verdwijnt in alle apparaten, zijn ogen zijn dicht.

Pak suiker

„Je mag niks tillen dat zwaarder is dan je pas geboren kind.” Dat schijnt een vuistregel na de keizersnede te zijn. Mijn kind weegt minder dan een pak suiker. En hij gaat nog afvallen, waarschijnlijk. En ik kan hem niet vastpakken, dus wat is dat voor een debiele wereld waarin ik opeens leef met vuistregels waar ik niets aan heb en een kind dat in mij zou moeten zitten maar in plaats daarvan in een plastic bak met buisjes ligt? Mijn hoofd wil er niet omheen.

Zoals vroeger, bij gym: „Ok, Jowi, je bent nu met je neus eerst over die bok gevlogen en ja, dat doet misschien een beetje pijn. Maar probeer het nog eens, dit keer je handen gebruiken. Nog eens, dat durf je best.” Toen rende ik altijd huilend weg. Ik durfde niet.

We stoppen hem terug. Op de plek waar hij hoort. Ik zal niet meer bang zijn.

Witte tuinstoel

Milo klinkt als een cavia. Iets tussen knorren en protesteren in. Vooral als hij gaat kangaroeien: ze halen hem uit de couveuse en leggen hem, met al zijn honderdduizend slangetjes, op de blote huid van zijn papa of mama. Milo is niet groter dan een mannenvoet, hij is rood, zijn ogen zijn nog steeds niet open. Er zit een buis op zijn neus om hem te helpen ademen, zijn lippen zijn vol, die lijken op de mijne. Dat denk ik tenminste, want heel goed kan ik hem niet zien.

Cocoonen noemen ze het ook. Je mag een uur tussen alle piepjes en alarmbellen achter een geel gordijn genieten. Op een witte plastic tuinstoel.

„Ga maar lekker genieten, mama.”

Als van tevoren iemand had gezegd: „Weet je wat, ik snij je kind uit je buik, behang hem als een kerstboom en jij mag de piek zijn.” Dan had ik geantwoord: „Ik hou niet zo van Kerst.”

Wat blijkt; het is best lekker om naar je knorrende cavia te luisteren. Fuck de slingers.

Is het kind al af?

„Zouden er mensen zijn die niet meer naar het ziekenhuis gaan?” vraagt Edwin onder de douche. „Die pas na veertien weken komen kijken of hun kind al af is?” Ik kan het me voorstellen. Dat je er niet aan begint. Aan houden van een kind dat nog niet af is. (...)

Bezoek

We doen geen bezoek, maar ouders, broers en zussen zijn de uitzondering. Gistermiddag kwam mijn broer naar Milo kijken. Hij moest zijn handen in alcohol ontvetten en oh ja, ook zijn ring af. Ik had hem geïnstrueerd: alleen kijken, niet aanraken. Alleen ouders mogen hun kinderen aanraken in NICU-land [neonatal intensive care unit, red.]. Infectiegevaar is voor mini’s levensbedreigend. Bart hield voor de zekerheid een halve meter extra afstand.

Ik stond ernaast als de verkoper van een product waar de klant nog niet helemaal aan wil.

„Ze hebben hem net ingestopt, want zo’n kleintje koelt gauw af.” Mijn broer knikte.

„En je kan zijn gezicht ook niet goed zien door dat masker, dat is extra lucht, geen beademing maar een steuntje, zoals je een ballon helpt in het begin, ik weet niet meer hoe het heet maar hij wordt er dus ook een beetje onzichtbaar van.” Ik ratelde, mijn broer knikte. Alsof we allebei een toneelstukje stonden op te voeren. De klucht van het pasgeboren kind.

Je kon de mond van Milo zien. Zijn perfect gevormde handje. Zijn gekreukelde oor met strak mutsje, waarop de luchtsnorkel vastzat.

Na afloop dronken we warme chocomel uit de gratis automaat voor ouders. We bieden u graag een warm drankje aan. Er was een De Luxe versie en een gewone versie. De De Luxe versie had meer melk, dat kon je zien. Je proefde er niets van.

Echter

Ik schrok wakker vannacht, zwetend (heb ik nooit gehad eigenlijk, zo paniekerig wakker worden, maar nu het gebeurt lijkt het heel natuurlijk. Blijkbaar past het in mijn draaiboek ‘hoe reageren mensen bij onverwachte stress’. Een beetje zoals je New York herkent van de tv-series ook al ben je er nog nooit geweest.).

Ik begin van Milo te houden.

Nu móet hij het wel redden.

Dat moet gewoon.

Ui

Ik woon in het binnenste van de ui waar de wereld klein en kernachtig is. Leven of dood, en als je leeft, dan met welke handicaps? Er bestaan hier geen gewone griepjes, geen betekenisloos schudden met een arm of hoofd. Handen worden vele malen per dag met alcohol gereinigd en wie eraan likt, mag niet meer kolven. Op een bizarre manier is het een veilige wereld.

Hoe groter Milo gaat worden (morgen is hij 28 weken oud), hoe meer ik me voorstel dat ik een knapzak meeneem en een tent opzet voor het AMC. Daar verwarm ik dan boontjes in blik op een vuurtje. Ik loop ’s avonds naar het raam van het NICU en tokkel baby-liedjes op mijn gitaar.

Nooit meer terug naar de wereld van boodschappen, geld verdienen en op tijd zijn. Omdat het contrast te groot is.

Kans op een goed leven

De kinderarts vertelde ons dat Milo het in ieder geval naar omstandigheden goed doet. Elke dag wat incidentjes, dat zijn hart zo vertraagd dat het bijna stilstaat. Niet erg, vinden ze, „want dat hoort bij zijn leeftijd”, geen infecties, niets waar hij niet overheen kan groeien. „Er is nog alle kans op een goed leven.”

Infectie

En opeens ligt Milo weer aan de beademing. Een harde stugge pijp door zijn keel, zoals alleen helemaal in het begin.

„Hij is niet in direct levensgevaar”, zegt de dokter die ons belt – want ze bellen, als er echt wat is: eerst het kind helpen, dan de ouders bellen. Dat is het protocol. En nu is er dus een infectie. Ik geloof niet eens dat ze ‘verdenking van infectie’ zegt, zoals eerder. De kweken moeten het nog aantonen, maar de antibiotica is al begonnen. Dat komt: Milo’s ‘dipjes’ werden steeds langer. Zijn hart hield er steeds meer mee op. En nu is er dus die klotepijp die door mijn kindje heen loopt. (...)

Troost

Ze gaan een ‘arterie’ aanleggen in de laatste voet die nog zonder draadjes is. Ze hebben nogal veel doekjes nodig, want het kan nogal bloeden. Aan de ene kant van de couveuse staat de kinderarts, aan de andere kant de verpleegkundige.

„Ga maar aan het voeteneind staan, papa en mama”, zegt de verpleegkundige.

Maar daar kan ik Milo niet zien. Alleen maar dat stakerige voetje van hem, gevangen tussen een duim en een wijsvinger. Ik ga naar zijn hoofdeinde, zijn hoofd is ook al bedekt met doekjes, dan heeft hij minder last van het felle licht. En oh ja, voordeel toch, zo’n beademing, het is niet dat hij er benauwd van wordt. Ik steek een onhandige hand door een couveusegat om zijn donkerblonde haartjes te aaien. Nog steeds zulke nieuwe haartjes. Ik kan er niet goed bij.

Er wordt geprikt. Er gaat een schok door het onzichtbare lichaampje en er verschijnt een tastend handje. Het laatste handje waar nog geen naald in zit. Ik pak het vast.

Snor

Milo heeft een snor. Een buisje met lucht, vastgezet in zijn neusgaten. Zoals patiënten in alle Amerikaanse films. Geen extra druk meer om zijn longen open te houden en bovenal: geen slurf meer die bijna groter is dan zijn gezicht waardoor ik hem nog nauwelijks heb kunnen bekijken.

Dus ik verheug me heel erg op het ziekenhuis straks. Dan ga ik naar zijn haartjes kijken. Naar zijn grote ogen die opeens weer allebei zichtbaar zijn. Zoals je je kunt verheugen op het kijken naar een nieuw vriendje. Het liefst ’s ochtends als je samen wakker wordt. Maar als het moet wil je het ook ’s avonds al wel doen. Dan kijk je stiekem, omdat je nog niet zo goed durft.

Ik heb een nieuw vriendje. Met een snor.

Schokjes

Milo wordt per dag steviger, hij trekt af en toe zijn snor uit zijn neus en knort dan alsnog verder. Nu is hij even wakker en lacht tussen het hijgen door. Het gaat wat schokkerig allemaal, maar wij gaan ook schokkerig.

Want dat besef, dat er niet alleen een ongeluk is gebeurd, maar dat er ook een kind ter wereld is gekomen. Dat Milo dus niet alleen het ongeluk, maar ook het geluk was. Is.

Dat Milo is. Dat besef komt met schokjes binnen.

Eerste nacht thuis

Hij meldde zich zoals het een baby betaamt om half drie ’s nachts. Geklooi met borstvoeding, gemopper (van mij vooral) en daarna de hik tot het licht begon te worden.

Oh en een mug.

Een echte babynacht.

Onze eerste.

Het was geweldig.

Rommelig stukje vol overwinningen

Milo is geslaagd voor zijn tussentijdse doktersexamen. Hij is vier kilo zwaar en 52 cm lang.

„Als je hem als baby van 10 dagen zou meten”, zegt de kinderarts, „dan zit hij zelfs net boven het gemiddelde.”

Een bovengemiddeld kind of ja, hij is natuurlijk geen tien dagen, maar vier maanden en zijn longen en weerstand zijn, weet ik veel, -1 ofzo.

Hij mag het komende jaar niet naar een kinderdagopvang en liever ook geen gastgezin – we moeten op zoek naar iemand aan huis.

En nee, ‘doorslaappap’ mogen we hem ook nog niet geven want dan telt dus opeens weer het feit dat hij eigenlijk nog maar tien dagen oud is.

Behangen met goede raad en een innerlijk to-do-lijstje wandelen we de kinderafdeling af. Milo vindt het ondertussen allemaal best, die ligt knorrend tegen me aan in zijn draagzak. Vlak voor we de zon in lopen zie ik mezelf in een spiegelende ruit. Grote wallen en dito grijns: mijn kindje is er niet alleen, hij groeit.

Ik ben een blije wasbeer.

Oppas gezocht

Milo is omgerekend nog maar twee weken maar ik moet aan het werk want er is geen geld meer. Bovendien heb ik zin, dat telt ook.

Hoe dat moet, daar peinzen we over.

Eén middagje per week met mijn kind spelen, daar moet toch iemand voor te vinden zijn?

Het lijkt me ook heel fijn, dat ik er nog een beetje bij zit, dat ik geen boodschappen hoef te doen of moet koken.

Ik snap het opeens.

Chaos bezweer je niet, daar ga je in mee.

Hebben ze toch wel slim aangepakt in het AMC: dat alles wat erna komt makkelijker is.

Dit zijn fragmenten uit het weblog van Jowi Schmitz. Lees haar hele logboek opwww.jowischmitz.nl.