Wie was de beste premier van Nederland? Breng uw stem uit

Foto's ANP

Was het Abraham Kuyper, de held van de kleine luyden, of Vadertje Drees, met zijn sociale wetgeving? Of toch Ruud Lubbers, die Nederland in de jaren tachtig uit de economische malaise sleurde? De komende weken gaat NRC Handelsblad, in samenwerking met de Universiteit Utrecht, op zoek naar de beste minister-president van Nederland.

Tientallen experts nemen deel aan een uitgebreide enquête en politici presenteren op de Opiniepagina hun eigen favorieten. U kunt hier ook meedoen door te stemmen op een van de premiers sinds 1900 en een toelichting bij uw keuze te geven. De beste reacties kunnen worden gepubliceerd. Lees meer achtergronden over het project in de NRC Weekend van vandaag.

We introduceren de kandidaten in de komende drie weken op nrc.nl. Vandaag aflevering 1 met de eerste acht premiers: lees meer over Abraham Kuyper, Theo de Meester, Theo Heemskerk, Pieter Cort van der Linden, Charles Ruijs de Beerenbrouck, Hendrik Colijn, Dirk de Geer en Pieter Gerbrandy.

Breng hieronder direct uw stem uit. De overige premiers volgen in de komende weken.


Abraham Kuyper - Premier van 1901 tot 1905

Abraham KuyperAbraham Kuyper was de eerste echte premier van Nederland. Voor zijn aantreden rouleerde het voorzitterschap van de ministerraad, maar Kuyper liet de voorzittershamer niet meer los. Dat paste bij zijn karakter als geboren leider. Als gedreven gereformeerd dominee, journalist en politicus met groot oratorisch vermogen (“Mijn roeping is hoog, mijn taak is heerlijk”) speelde hij een sleutelrol in wat later de emancipatie van de ‘kleine luyden’ is gaan heten. Hij zette de Vrije Universiteit op en was daar hoogleraar.

In 1874 kwam Kuyper voor het eerst in de Tweede Kamer. Vijf jaar later richtte hij de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) op, de eerste politieke partij van Nederland. In 1901 mocht hij, na de verkiezingsdoorbraak van de confessionele patijen, een kabinet vormen. Hij nam zelf de post van minister van Binnenlandse Zaken voor zijn rekening. Het ministerie van Algemene Zaken ontstond pas in de jaren dertig.

Het enkele feit dat Kuyper als AR-voorman premier was geworden, was misschien wel belangrijker dan de – weinige - wetten die hij door het parlement wist te loodsen. De bekendste daarvan waren de zogenoemde worgwetten, die het ambtenaren en personeel van openbare diensten verboden te staken, zoals nog gebeurd was tijdens de beruchte spoorwegstakingen van 1903. Voor de dichter Herman Gorter en andere socialisten in die tijd symboliseerde Kuyper de staat die geweld pleegde jegens onderdrukten en uitgebuiten. Ook koningin Wilhelmina vond hem te veel een scherpslijper.

Bij zijn dood schreef de Nieuwe Rotterdamsche Courant (9 november 1920) kritisch over Kuypers bestuurlijke prestaties:

Heeft de staatsman Kuyper — slechts over den staatsman spreken wij hier — iets duurzaams tot stand gebracht?

De vraag, zoo gesteld, is misschien niet geheel billijk. De omstandigheden hebben veroorzaakt, dat Dr. Kuypers bezigheid grootendeels negatief is gebleven. Slechts gedurende eene betrekkelijk korte periode heeft hij positief de practijk van zijne beginselen kunnen vertoonen. Het gevolg is toen niet gróót geweest, en bij al de forschheid van zijn daden en handelen heeft hij van zijn beginsel toch per slot van rekening in wetgeving en bestuur maar bitter weinig weten over te planten, en het trekt de aandacht, dat met name op het stuk van het onderwijs later een Cort van der Linden kon slagen, nadat Kuyper gefaald had.

Toch oordeelde de krant milder over de politicus Kuyper:

Doch het is mogelijk niet rechtvaardig den staatsman Kuyper naar het korte tijdperk, dat hij minister was, te oordelen. Kuypers kracht als staatsman school voornamelijk in zijn critischen geest, die vriend noch vijand spaarde. Naar een zetel achter de groene tafel heeft hij nooit gedongen, en dat hij er toch eenmaal terecht kwam, is waarschijnlijk meer tegen zijn zin, dan uit eigen voorkeur geweest. Hij was bovenal man van oppositie, en is dat tot het eind toe gebleven.

Bekijk hieronder Kuypers necrologie in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 9 november 1920:

Stem op Abraham Kuyper

Theo de Meester - Premier van 1905 tot 1908

Theo de MeesterOnbekende, bescheiden en symphatieke ambtenaar werd minister-president voor de liberalen, nadat de verkiezingsuitslag ervoor had gezorgd dat er bijna geen regering te vormen viel. De Meester toonde zich een kundig bewaker van de schatkist, maar zijn ‘kabinet van kraakporselein’ was geen lang leven beschoren.

De Nieuwe Rotterdamsche Courant deed op 30 december 1919 verslag van De Meesters uitvaart:

Stem op Theo de Meester

Theo Heemskerk - Premier van 1908 tot 1913

Theo HeemskerkTheo Heemskerk was de zoon van Jan Heemskerk, die in de negentiende eeuw premier was geweest. De beminnelijke ARP’er deed zijn best partijverschillen te overbruggen, dit tot ongenoegen van Kuyper die zijn pogingen om zelf weer premier te worden telkens zag stranden. Heemskerk, die de nieuwe, gematigde generatie van anti-revolutionairen vertegenwoordigde, wist vijf jaar aan het roer te blijven. Na een grote verkiezingsnederlaag in 1913 ging hij naar de Raad van State.

Een verslag van de ‘politieke wapenschouw’ die Theo Heemskerk hield voor de antirevolutionaire kiesvereniging - uit de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 13 maart 1914:

Stem op Theo Heemskerk

Pieter Cort van der Linden - Premier van 1913 tot 1918

Pieter Cort van der LindenPieter Cort van der Linden werd premier omdat niemand anders wilde. Zowel de confessionele als de liberale en sociaaldemocratische vleugel in de Tweede Kamer lukte het niet om in 1913 een kabinet te vormen. De liberaal Cort van der Linden was eind negentiende eeuw al minister van Justitie geweest en had in die functie belangrijke hervormingen doorgevoerd. Nu werd er een beroep op hem gedaan het land te leiden.

De 67-jarige rechtsgeleerde vormde een minderheidscoalitie van liberalen en vrijzinnigen. Toch meende hij dat zijn kabinet gedragen werd door een “krachtige stroming in het land”. Cort van der Linden was niet altijd even makkelijk in de omgang; hij kon hautain en sarcastisch zijn. Toch was hij zich ook bewust van de betrekkelijkheid van zijn macht:

Ieder die als regering hier in de arena treedt,weet dat hij is moriturus, maar wat van hem verwacht wordt, is dat hij, als een goede gladiator past, de strijd voert.

Cort van der Linden en zijn kabinet maakten een eind aan twee slepende kwesties van die tijd. Zij voerden het algemeen kiesrecht voor mannen in, en zetten de deur voor vrouwen op een kier. Verder beëindigde het kabinet de schoolstrijd: bijzondere scholen kregen vanaf 1917 overheidsfinanciering, net als openbare scholen. Ook loodste Cort van der Linden Nederland veilig door de Eerste Wereldoorlog. Zijn minister van Buitenlandse Zaken herinnerde zich bij zijn dood in 1935:

Onovertrefbaar was zijn voorzitterschap van de ministerraad. Hoe dikwijls gebeurde het niet, dat de overige ministers zeiden: ‘Wat is hij weer meesterlijk geweest.’

Ook de Nieuwe Rotterdamsche Courant was lovend over hem. Ter gelegenheid van Cort van der Lindens zeventigste verjaardag, midden in de Eerste Wereldoorlog, schreef die:

Met zelfstandigheid ishij zijn weg gegaan. Achter zijn eenvoud kwam steeds een rustig, sterk idealisme te voorschijn, dat wist te verenigen, zonder dat het beginselen wenschte prijs te geven.
(…)
Het Nederlandse volk heeft gevoeld, dat te midden van in zoo uiteenlopende richtingen werkende politieke krachten zijn leiding zich in voortreffelijke handen bevond.
(…)
Moge zijn leiding ons eervol en onverzwakt ook door de tijden helpen, welke voor ons liggen.

Lees hieronder het hele stuk uit de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 13 mei 1916:

Stem op Pieter Cort van der Linden

Charles Ruijs de Beerenbrouck - Premier van 1918 tot 1925 en van 1929 tot 1933

Charles Ruijs de BeerenbrouckJonkheer Charles Ruijs de Beerenbrouck was de eerste katholieke premier van Nederland. De katholieken hadden in 1918 geprofiteerd van de invoering van het algemene kiesrecht en waren bij de verkiezingen de grootste partij in de Tweede Kamer geworden. Hun leider Wiel Nolens kon als priester geen premier worden. Daarom schoof hij mede-Limburger Ruijs de Beerenbrouck naar voren.

De premier kreeg na zijn aantreden in 1918 meteen te maken met de Duitse keizer die naar Nederland was gevlucht en de bijna-revolutie van Troelstra. Beide in potentie zeer brisante kwesties handelde Ruijs de Beerenbrouck goed af. Verzoeken van de geallieerden om Wilhelm II uit te leveren, legde hij naast zich neer. En sociaaldemocraat Troelstra liet hij uitrazen, terwijl hij een aanhankelijkheidsbetuiging voor het koningshuis regelde en het broodrantsoen van 200 naar 280 gram per dag verhoogde.

Nadat beide crises waren afgewend, kwam Ruijs de Beerenbrouck aan wetgeving toe. In 1922 werd het vrouwenkiesrecht ingevoerd.

Ruijs de Beerenbroucks twee kabinetten voerden verder belangrijke sociale maatregelen in, waaronder de achturige werkdag. Na de verkiezingen van 1925 loste Hendrik Colijn Ruijs de Beerenbrouck af als premier. De katholieke politicus kwam nog een keer terug voor een derde kabinet, vanaf 1929. De economische crisis zorgde ervoor dat hij hard moest bezuinigen. Niet tot ieders genoegen: “Wie maakt onze centen zoek? Dat is Ruijs de Beerenbrouck”, luidde een arbeidersrijmpje uit die tijd.

Uiteindelijk stond Ruijs de Beerenbrouck 3.906 dagen aan het roer van het land. Alleen Ruud Lubbers was langer premier.

Lees hieronder de necrologie die het Algemeen Handelsblad op 18 april 1936 over Ruys de Beerenbrouck schreef:

Stem op Charles Ruijs de Beerenbrouck

Hendrik Colijn - Premier van 1925 tot 1926 en van 1933 tot 1939

Hendrik ColijnDe ARP’er Hendrik Colijn drukte met zijn duidelijke taal (“Zonder rust geen zelfbeheersing en zonder zelfbeheersing is vastberadenheid niet mogelijk”) en ingrijpende bezuinigingsmaatregelen een groot stempel op de crisisjaren. Hij gaf leiding aan vijf kabinetten.

Voorafgaand aan zijn premierschap genoot hij als militair en financieel deskundige een grote reputatie. Ook had Colijn internationaal gezag afgedwongen als krachtig bestuurder in Nederlands Indië. Eerder, in 1894, had hij als militair meegedaan aan de expeditie naar Lombok waarbij veel burgerslachtoffers waren gevallen.

Het Algemeen Handelsblad schreef op 26 november 1927 over Colijns optreden in de kolonieën:

De meest “beruchte” misschien, onder de thans nog levende “vechtjassen” van Indië. De “Kop van Jut” van onze koloniale “democraten”. Nu, de heer Colijn heeft in Atjeh, dan ook heel wat afgevochten…. maar evenals voor alle militairen uit de school van Van Heutsz is ook voor hem het militaire werk slechts een voorbijgaand middel geweest, een onvermijdelijk middel om te komen tot het doel: een rustige, welvarende inlandsche samenleving, gegrond op recht en orde.

Colijn was van mening dat de economische malaise het best bestreden kon worden door te bezuinigen en vast te houden aan de gouden standaard. De gevolgen van de sterke verlaging van ambtenarensalarissen en uitkeringen waren groot. Wel trok hij extra geld uit voor werkverschaffingsprojecten voor werklozen.

Over het gevaar van nazi-Duitsland adviseerde Colijn in 1936 tijdens een radiotoespraak zijn landgenoten om “rustig te gaan slapen, zoals ze dat ook andere nachten doen”:

In 1940, een jaar na zijn aftreden als premier, schreef hij als minister van staat in de brochure Op de grens van twee werelden:

Het alles domineerende feit is dan, dat, tenzij er werkelijk wonderen gebeuren, het vasteland van Europa in de toekomst geleid zal worden door Duitschland.

Overigens werd Colijn in 1941 door zijn steun aan het verzet door de Duitsers weggevoerd en in Duitsland gevangen gezet. Hij stierf in 1944 op 75-jarige leeftijd in Duitse ballingschap aan een hartverlamming.

Bekijk hier het hele portret van Colijn als vechtjas in Nederlands Indië in het Algemeen Handelsblad (26 november 1927):

Stem op Hendrik Colijn

Dirk de Geer - Premier van 1926 tot 1929 en van 1939 tot 1940

Dirk de GeerJonkheer en CHU-man Dirk de Geer volgde twee keer Colijn op. De eerste keer lukte dat vrij goed – zijn extra-parlementair kabinet loodste enkele belangrijke wetten door de Kamer, zoals die op de Collectieve Arbeids Overeenkomst (CAO).

De tweede keer ging het minder. De Geer vluchtte in mei 1940 met de koningin naar Engeland, werd daar ontslagen door dezelfde koningin nadat hij het Nederlandse volk had opgeroepen tot samenwerking met de Duitsers, en keerde zonder toestemming terug naar Nederland. Als ambteloos burger had hij immers in Londen niets meer te zoeken, zo stelde De Geer. De regering in ballingschap beschouwde zijn terugkeer naar Nederland echter als desertie. De Duitsers en de NSB waren juist blij, en buitten één en ander propagandistisch uit.

Na de oorlog werd De Geer vanwege zijn vaandelvlucht tot een geldboete en voorwaardelijke gevangenisstraf veroordeeld. Op aandringen van Wilhelmina moest hij even later ook al zijn koninkijke onderscheidingen inleveren. De affaire leverde hem de bijnaam op: Jonk de G: zonder heer en zonder eer.

Lees hieronder de necrologieën die de Nieuwe Rotterdamsche Courant en het Algemeen Handelsblad op 28 november 1960 over De Geer schreven:

Stem op Dirk de Geer

Pieter Gerbrandy - Premier van 1940 tot 1945

Pieter GerbrandyDe Friese ARP-politicus met de markante snor is de enige premier die zonder parlement heeft geregeerd. Tijdens de bezettingsjaren leidde hij vanuit Londen de Nederlandse regering in ballingschap op onverzettelijke en eigenzinnige wijze.

Het Algemeen Handelsblad schreef na Gerbrandy’s dood in 1961 over diens rol tijdens de bezetting:

Hij groeit voor de onderdrukte Nederlanders tot een lichtend begrip: zijn stem klinkt via radio-Oranje door de gedempte luidsprekers in de verduisterde huiskamers, gestoord door Duitse zenders, maar verstaanbaar: landgenoten, houdt moed, landgenoten, houdt stand! Studenten, tekent niet! Onderduikers, weest voorzichtig!

Gerbrandy rekende af met de defaitistische houding onder zijn voorganger De Geer. Ook bood hij, waar mogelijk, tegenspel tegen de wispelturig en assertief opererende koningin Wilhelmina. Omgekeerd gold overigens hetzelfde.

Onder Gerbrandy‘s leiding werd onder meer een strafregeling voor collaborateurs geformuleerd. Na de oorlog manoeuvreerde de ARP hem op een zijspoor, waarna de anti-revolutionair nog 11 jaar in de Kamer zat.

De Nieuwe Rotterdamsche Courant schreef daarover in een necrologie van Gerbrandy (1961):

In de oorlogstijd - zijn grootste tijd - hadden de Nederlanders één groot gemeenschappelijk doel. Zo kon Gerbrandy in die jaren een nationale figuur worden. Hij was niet een anti-revolutionaire politicus, maar de Nederlandse minister-president.

Na de oorlog werd dat anders. Toen viel ons volk uiteen in allerlei politieke kleuren. Gerbrandy ageerde, aanvankelijk als ambteloos burger, later als lid van de Tweede Kamer, verder voor het doel dat hij zich toen had gesteld: het behoud van de rijkseenheid. Dat uitte zich in een verzet tegen het regeringsbeleid inzake de Indonesische kwestie, waarbij hij even onwrikbaar tewerk ging als tijdens zijn ministerschap in oorlogstijd. Maar hij bleef in dezen een oppositiefiguur.

Lees hieronder de necrologieën van Gerbrandy uit de Nieuwe Rotterdamsche Courant en het Algemeen Handelsblad van 8 september 1961:

Een journaalverslag van Gerbrandy’s uitvaart:

Stem op Pieter Gerbrandy

Geraadpleegde bronnen: Han van der Horst : Onze premiers (1901-2002) , hun weg naar de top (2007), Prof.mr. P.J. Oud, Honderd jaren, Een eeuw van staatkundige vormgeving in Nederland 1840-1940. (1979) Dr. G Puchinger, Nederlandse Minister-Presidenten van de Twintigste eeuw (1984).