Amerikaanse werkloosheidscijfers creëren dilemma voor centrale bank

De werkgelegenheid in de VS valt tegen. Blijft de Fed dan toch nog volop stimuleren?

Het blijft spannend tot het eind. Gaat de Federal Reserve op 18 september beslissen om het stimuleringsprogramma voor de Amerikaanse economie af te bouwen? De afgelopen dagen verschenen er redelijk positieve macro-economische berichten uit de VS, wat de indruk sterkte dat het inderdaad zover zou kunnen zijn. Maar de werkgelegenheidscijfers van gisteren zorgden voor nieuwe twijfel.

De werkgelegenheidscijfers over augustus zijn de laatste economische indicator die de Amerikaanse centrale bank krijgt voor de vergadering waarin het besluit moet vallen. Het is tevens een van de belangrijkste gegevens voor de afweging, aangezien het een taak van de Fed is om te streven naar volledige werkgelegenheid.

De 169.000 banen die er in augustus zijn bijgekomen waren er fors minder dan de ongeveer 180.000 die analisten vooraf hadden verwacht. Maar er was meer: de werkgelegenheidscijfers voor juni en juli werden fors naar beneden bijgesteld. Hierdoor zijn er in de afgelopen drie maanden gemiddeld 148.000 banen per maand bijgekomen, veel minder dan het gemiddelde van 184.000 over de afgelopen twaalf maanden.

De werkloosheid is wel gedaald: van 7,4 naar 7,3 procent van de beroepsbevolking, maar dit komt vooral doordat meer mensen het zoeken naar werk hebben opgegeven en dus buiten de statistieken vallen. Hier komt nog bij dat de nieuwe banen vooral tot lager betaalde categorieën als de detailhandel en de horeca behoren.

Eerder deze week waren er betere berichten: de autoverkopen waren sterk gestegen, wat als een belangrijk teken wordt gezien dat consumenten weer geld durven uitgeven (of een lening durven aangaan). De dienstensector groeide in augustus in het hoogste tempo in acht jaar. En het aantal WW-aanvragen bereikte vorige week het laagste niveau in vijf jaar.

Maar er waren ook mindere cijfers: de consumentenbestedingen en het aantal nieuwe huizen in juli vielen tegen, evenals de orders in de industrie.

Al met al is het beeld dus gemengd, en is het waarschijnlijk dat de onrust in met name de opkomende markten zal aanhouden, in elk geval tot de Fed-vergadering op 17 en 18 september. Sinds bankpresident Bernanke in mei aankondigde dat hij overweegt om het steunprogramma, waarmee de Fed maandelijks voor 85 miljard dollar aan obligaties opkoopt, te verminderen, trekken beleggers hun geld terug uit de opkomende markten. Die golden de afgelopen jaren als een investering waar nog rendement te behalen was, terwijl het Fed-beleid de Amerikaanse rentes laag hield. Nu stroomt dat geld terug naar het Westen.

De zorgen van opkomende landen als India en Indonesië zijn de afgelopen dagen besproken op de G20-top van regeringsleiders in Sint Petersburg. De uitkomst was weinig verrassend: in de slotverklaring zeiden de leiders dat wijzigingen in het monetaire beleid „zorgvuldig moeten worden afgestemd en duidelijk gecommuniceerd”, dezelfde woorden als bij de vorige bijeenkomst waren gebruikt.

De BRICS-landen (Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika) besloten tezamen 100 miljard dollar in een pot te stoppen voor het geval een van hen in acute problemen zou komen, maar die pot is waarschijnlijk pas volgend jaar gevuld en zal te klein zijn als er een echte crisis uitbreekt.

Eén wereldleider had goed nieuws in Sint Petersburg. Europese Commissievoorzitter Barroso stelde vast: „Deze keer zijn wij niet het middelpunt van de aandacht.”