Alleen zijn vijanden steunen Obama nog

In een week moest president Obama het Amerikaanse Congres overtuigen van de noodzaak militair in te grijpen in Syrië. De lobby die hij hiervoor in een paar dagen heeft opgetuigd, is zelden eerder vertoond. Komende week blijkt of het hem gelukt is.

Minister van Buitenlandse Zaken John Kerry (links) en de Amerikaanse ambassadeur in Syrië Robert Ford. Foto AP

‘Wat een fantastisch moment in de geschiedenis”, zegt John Hannah glunderend. „Uitgerekend president Obama die ons land in een nieuw Midden-Oostenconflict wil storten. Dat verzin je gewoon niet.”

Hannah heeft reden de ironie van de geschiedenis te zien. Hij was de adviseur voor nationale veiligheid van voormalig vicepresident Dick Cheney. Een neoconservatief, die gelooft in een actieve Amerikaanse rol in de wereld, desnoods militair. Zijn tijd was voorbij met de komst van Barack Obama, dacht hij. Maar het kan verkeren. Obama wil Syrië aanvallen, en neoconservatieven als John Hannah tellen opeens weer mee.

Hannah spreekt een volle zaal van circa vijftig man toe bij de rechtse denktank Foundation for the Defense of Democracies (FDD), in het centrum van Washington. Winston Churchill kijkt vanaf de muur streng toe. ‘Never give in, never, never, never’, staat naast zijn portret geschreven. Dit zijn de zaaltjes die ertoe doen in de week waarin deze stad debatteert over militair ingrijpen in Syrië. De stoelen worden bezet door Europese diplomaten en medewerkers van Congresleden – uit Kansas, Iowa, Arkansas – die nog geen standpunt hebben ingenomen over Syrië.

De medewerkers maken driftig aantekeningen als Hannah op het podium de voordelen van luchtaanvallen op doelen van het Syrische regeringsleger uiteenzet. „Het is in het belang van Amerika dat Syrië geen chemische wapens gebruikt. Obama had groot gelijk toen hij een rode lijn trok. Als we nu niet het wereldwijde taboe op chemische wapens handhaven, is dat een verkeerd signaal aan landen als Noord-Korea of Iran.”

Na afloop zegt Hannah dat hij er niet gerust op is. Het is dinsdag, en minister John Kerry van Buitenlandse Zaken begint aan hoorzittingen voor de Senaat en het Huis van Afgevaardigden. President Obama heeft het Congres gevraagd in te stemmen met zijn aanvalsplannen, maar vooral in het Huis is de weerstand groot. Hannah: „De regering heeft te weinig tijd. In een week moet Washington overtuigd worden. Steun voor ingrijpen is bijna niet te mobiliseren.” Hannah spreekt uit ervaring. Hij werkte voor Dick Cheney toen hij steun voor de oorlog in Irak zocht. Het begint, zegt Hannah, met argumenten. „Daarom sta ik hier vandaag. Ik hoop wat Afgevaardigden voor Obama gewonnen te hebben.”

Als dat niet genoeg is, zegt hij, telt alleen politiek. „Tegen linkse Democraten die tegen iedere vorm van oorlog zijn, kun je zeggen: dus je wilt het presidentschap van Obama laten mislukken?” Werkt dat nog niet, dan weet Hannah uit zijn eigen tijd nog andere trucs. „De een wil misschien een militaire basis in zijn district, de ander een brug. Dit zijn dagen waarin gegeven en genomen wordt.”

Obama besloot vorige week zaterdag, op het laatste moment, goedkeuring van het Congres te vragen. Daarmee heeft hij zichzelf met een enorm probleem opgezadeld. De Senaat, waar Democraten in de meerderheid zijn, lijkt veilig. De Senaatscommissie voor Buitenlandse Zaken stemde deze week, na een emotioneel debat met Kerry, in met zijn plannen.

Het Huis van Afgevaardigden, met een Republikeinse meerderheid, leek deze week een onneembare horde. Van de 435 Afgevaardigden waren nog maar negentien overtuigd. Progressieve Afgevaardigden op links willen niet dat Amerika bloed vergiet. Libertairen op rechts willen dat Amerika zich alleen met zijn eigen zaken bemoeit. Afgevaardigden in het midden kijken naar opiniepeilingen, en zien dat de kiezer er niets van moet hebben. Volgend jaar wordt het voltallige Huis opnieuw gekozen.

„Dit is een Shakespeareaans drama aan het worden”, zegt hoogleraar politicologie James Thurber op zijn kantoor aan de American University in Washington. „Obama, de anti-oorlogsheld van 2008, wordt door al zijn vrienden in de steek gelaten. Alleen zijn vijanden steunen hem nog.” Thurber geldt als de grootste expert op het gebied van Congreslobby’s. Volgens hem is de lobby die het Witte Huis in een paar dagen heeft opgetuigd, zelden eerder vertoond. „Dit zijn historische dagen. Meestal kan een president op buitenlands terrein min of meer zijn gang gaan. Of hij vraagt geen toestemming van het Congres, zoals bij de luchtaanvallen in Libië of de dood van Osama bin Laden, of hij krijgt overweldigende steun. Oorlog is bijna altijd boven intern gedoe verheven.”

Deze keer is dat anders. Of Obama heeft oneindig vertrouwen in zijn lobbykunsten, zegt Thurber, of hij heeft zich ernstig misrekend. De strategie van Obama is volgens Thurber tweeledig. Ten eerste probeert hij al in een vroeg stadium het Republikeinse leiderschap voor zich te winnen, zodat zij het regelwerk in de fracties kunnen doen. Al na een paar dagen spraken senator John McCain en de voorzitter van het Huis, John Boehner, hun steun uit voor Obama. Daarbij moest de publieke opinie gewonnen worden. De twee speeches van John Kerry, vol details over de slachtoffers van de aanvallen met chemische wapens, waren een poging de tv-kijker te bereiken, zegt de politicoloog.

Het Witte Huis hield vertrouwelijke briefings voor Congresleden, waarbij YouTube-filmpjes van de aanvallen in de buitenwijken van Damascus te zien waren. Thurber: „Die beelden zijn zo afschuwelijk, niemand laat dat onberoerd. Het effect van die sessies is alleen beperkt. Het is reces in Washington, en de meeste Congresleden zitten thuis, omringd door de kiezers van hun district. Zij zien geen filmpjes. Ze horen alleen maar in het dorpscafé: u gaat toch niet voor stemmen?”

Het lijmen van Congresleden met een leuk project in zijn district heeft volgens James Thurber geen zin. „Ten eerste omdat dat aan steeds meer regels is gebonden, om machtsmisbruik tegen te gaan. Ten tweede is Obama er de man niet naar. Het zit gewoon niet in zijn karakter. Hij is geen Lyndon B. Johnson, die dreigt en omkoopt. Obama speecht liever dan dat hij onderhandelt – hij krijgt van Congresleden vaak het verwijt te afstandelijk te zijn. De Witte Huis-lobby bestaat daarom vooral uit inhoudelijke gesprekken, dat past meer bij deze regering.”

Maar genoeg is het niet. Obama moet in Washington een coalitie buiten het Congres bouwen. Die heeft hij gevonden in de neoconservatieven uit het Bush-tijdperk, pro-Israëlgroepen en de Syrische oppositie in ballingschap.

Terwijl de Senaat dinsdag debatteerde, schaarde de grootste pro-Israëllobby in de VS, AIPAC, zich achter Obama. AIPAC werd afgelopen zaterdag door het Witte Huis gebeld, vlak nadat Obama aankondigde steun in het Congres te zoeken. De medewerker van het Witte Huis wilde weten wat AIPAC ervan vond. Drie dagen later publiceerde AIPAC een steunbetuiging aan Obama: „Barbarij op zulke grote schaal mag niet ongestraft blijven.” En: „Deze cruciale beslissing komt op een moment dat Iran onderweg is naar nucleaire macht. Als deze resolutie niet wordt aangenomen, zou de geloofwaardigheid van ons land verzwakt worden [...] en daarmee de nationale veiligheid van ons en onze bondgenoten in de regio in gevaar brengen.”

De mening van AIPAC, een van de belangrijkste lobbyorganisaties in Washington, telt zwaar. Volgens James Thurber is de organisatie in staat „een significant aantal” Afgevaardigden om te praten. „AIPAC is een organisatie die de achterban naar Democratische en Republikeinse Congresleden kan laten bellen. Steun van AIPAC is bovendien volgend jaar hard nodig voor veel Afgevaardigden, als ze herkozen willen worden. Volgende week wil AIPAC 250 joodse leiders en lobbyisten naar Washington sturen om Congresleden te overtuigen van militair ingrijpen, schreef de website Politico.

Steun komt ook van de Republican Jewish Coalition (RJC), die voor een groot deel betaald wordt door de miljardair Sheldon Adelson. Deze casinomagnaat was vorig jaar nog de grootste donateur van de Republikein Mitt Romney. RJC riep haar 45.000 leden deze week op te bellen met Congresleden in hun district om voor Obama’s plan te pleiten. „Dit is geen onderwerp voor partijpolitiek”, staat in de mail.

Op een pas ingericht kantoor op K-Street, de beroemdste lobbyistenstraat ter wereld, is een andere nieuwe bondgenoot van Obama gehuisvest. Hier huist sinds kort de Syrische oppositie in ballingschap, de Syrian Support Group. De organisatie zamelt geld in voor de Syrische rebellen, met name donaties van Syrische Amerikanen. Sinds april mag de organisatie direct geld en goederen naar de rebellen sturen, zoals uniformen, camouflagekleding of verrekijkers. De groep heeft circa 10 miljoen dollar opgehaald.

Woordvoerder en lobbyist Dan Layman is een 23-jarige Syrische Amerikaan. Zijn taak, zegt hij, is het om „misverstanden over de opstand bij het publiek en het Congres weg te nemen”. Deze week stuurde hij een fact sheet aan alle Congresleden. De kern van zijn boodschap is dat de opstandelingen als te extreem gezien worden. „Van de naar schatting 150.000 strijders is hooguit 16 tot 20 procent gelieerd aan extremistische organisaties, zoals het Al-Nusrafront of Al-Qaeda. Het neemt inderdaad toe, maar dat komt omdat de wereld te lang heeft gewacht met ingrijpen.” Amerikaanse aanvallen, zegt Layman, zullen het vertrouwen van de gematigde rebellen in het westen versterken, en de overloop naar de extremisten remmen.

Generaal Salim Idriss van het Vrije Syrische Leger is volgens Kerry het gezicht van de gematigde oppositie. De Syrian Support Group probeert Idriss, die uitstekend Engels spreekt, al maanden naar Washington te halen. John Kerry heeft vertrouwen in hem, en hij zou het gezicht van de Syrische oppositie kunnen worden. Maar alle pogingen mislukten, tot ergernis van Dan Layman. Hij wilde Idriss deze week laten overvliegen om voor het Congres te laten spreken, maar kreeg het niet geregeld met het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken.

„Ik ben er niet gerust op”, zegt Dan Layman. „De hele week had ik hartkloppingen over de Senaat. Het leek goed te gaan, maar uiteindelijk stemde maar een kleine meerderheid voor. We moeten onze relaties met het Congres verbeteren om de zaak nog beter te bepleiten.”

Aan de argumenten die John Kerry deze week gebruikte voor ingrijpen, is te horen dat de regering-Obama nieuwe bondgenoten heeft. Hij klonk activistisch als een neocon toen hij voor de Senaat zei: „We moeten onze veiligheid koesteren, onze waarden beschermen, en de wereld leiden.” Hij beaamde het standpunt van AIPAC dat een aanval dient als signaal voor Iran en Hezbollah. Op die manier komt een aanval Israëls veiligheid ten goede, aldus Kerry.

En hij herhaalde de schattingen over extremisten van de Syrian Support Group. Hij zei dat „misschien 15 tot 25 procent” van de rebellen behoren tot „wat wij de bad guys noemen. Er is een echt gematigde oppositie.” Hij zei er niet bij dat de Amerikaanse regering tot vandaag geen wapens aan de Syrische oppositie wil leveren, uit angst dat ze in handen komen van extremisten.

Politicoloog James Thurber, die zelf tegen de geplande aanvallen is, denkt dat Obama en Kerry één goede kans hebben. „Overtuig de leden van het Congres dat het moment historisch is, en dat Amerika altijd eenheid heeft getoond in buitenlandse conflicten. Congresleden moeten tot de conclusie komen dat ze niet naar peilingen moeten luisteren, maar naar de argumenten.”

Volgens Thurber moet Obama komende week de Bristol-toespraak van Edmund Burke aanhalen. Burke ageerde in 1774 tegen volksvertegenwoordigers die alleen maar de wil van het volk wilden uitvoeren. Dat is verraad, aldus Burke. Een parlementariër moet juist een onafhankelijk oordeel vormen, in het belang van de kiezer. Zo’n toespraak, zegt Thurber, zou indruk maken. Dan bedenkt hij zich. „Weet je wat er na die speech met Burke gebeurde? Hij werd niet herkozen.”