Afkeer van blauwdruk

‘Ik geloof niet in alomvattende blauwdrukken waarmee maatschappelijke problemen in één klap op te lossen zouden zijn”, zei Rutte tijdens de H.J. Schoolezing. „Daar word ik als liberaal altijd een beetje wantrouwend van. Een land, een samenleving past niet in een mal.’

Tegen wie richtte Rutte zich met zijn verwerping van de blauwdruk? Zouden er mensen zijn die zeggen: „Dit land past in een mal”? Of: „Ik heb een blauwdruk waarmee we alle problemen in één klap kunnen oplossen”? Ja, in de jaren zestig misschien – toen had je nog socialisten die warm werden van vijfjarenplannen en grote sprongen voorwaarts.

Volgens Van Dale is een blauwdruk een ‘ontwerp, schets, voorlopig plan’. Maar in het gebruik heeft de term een strengere bijklank gekregen. Een blauwdruk staat al snel voor: onredelijk gedetailleerd, dogmatisch, naïef. Niemand wil ermee geassocieerd worden. Je kunt nog beter zeggen dat je Marokkanen in de knieën wil schieten dan dat je een blauwdruk hebt voor de samenleving.

De eerste aanval op de blauwdruk dateert van de jaren vijftig. Denkers als Karl Popper, Raymond Aron, Friedrich Hayek en Daniel Bell waarschuwden na de Tweede Wereldoorlog tegen het gevaar van utopisme. Het nationaal-socialisme en het communisme hadden volgens hen aangetoond waartoe het streven naar een totaal nieuwe samenleving in staat was. „De ideologieën die de negentiende eeuw heeft voortgebracht, hadden intellectuele kracht. Nu zijn die ideologieën uitgeput. Er zijn nog weinig serieuze mensen die geloven dat door blauwdrukken en ‘social engineering’ een nieuw Utopia van sociale harmonie kan ontstaan,” schreef Bell in zijn beroemde essay The End of Ideology in the West.

Vanaf de jaren negentig, tijdperk van deregulering, raakte de blauwdruk ook onder politici in diskrediet. Het woord werd vaker in combinatie met ‘vooral geen’ en ‘absoluut niet’ gebruikt. „Ik heb geen visie in de vorm van een blauwdruk van bovenaf, dat moet je niet willen,” zei toenmalig minister van Onderwijs Maria van der Hoeven in 2005. Marja van Bijsterveldt was zes jaar later al even angstig: „Als ouders vanuit eigen initiatief iets willen ondernemen, vind ik dat prima. Maar niet van bovenaf, vanuit Den Haag. Ik wil geen blauwdruk opleggen.” En Lodewijk Asscher schreef in 2011 in de Volkskrant: „Het is niet de overheid die met een blauwdruk de samenleving vormgeeft. Dat moeten we zelf doen.” De overheid is als de dood om bemoeizuchtig over te komen. Ze laat het initiatief nu aan de burgers.

In zijn lezing verbond Rutte zijn angst voor blauwdrukken met zijn liberale aard. Maar ook de linkse partijen hebben hun blauwdrukliefde al een tijdje geleden opgegeven. Roel van der Poort, toenmalig voorzitter van de Jonge Democraten, schreef in 1994 al in Trouw: „Vrijzinnig-democraten willen in elk geval niet uitgaan van een blauwdruk voor een ideale samenleving.”

De Volkskrant berichtte in 1997 dat er zich ‘een stille revolutie’ voltrok in GroenLinks. „De partij is bezig afscheid te nemen van de overtuiging dat een sterke overheid, die een goede blauwdruk voor ogen houdt, een rechtvaardige samenleving kan maken.”

In 1999 schudde de SP haar marxistisch-leninistische veren af. Marijnissen lichtte de ommezwaai toe: „Het idee van een blauwdruk voor het socialisme heeft in de wereld vaak geleid tot dogmatisme, en dogmatisme heeft vrijwel altijd geleid tot geloof in absolute waarheden. Een geloof dat tot weerzinwekkende uitwassen en vele wandaden heeft geleid.” En in 2000 gaf de PvdA in haar nieuwe beginselprogramma toe dat er ‘geen blauwdruk’ bestaat voor een rechtvaardige samenleving.

Linkse politici hebben zich dus allang gedistantieerd van de blauwdruk. Rutte levert een bijdrage aan een debat dat twintig jaar geleden in zijn voordeel is beslecht.

Vanwaar dan de opmerking? Probeert Rutte de roep om een visie te ontwijken door een karikatuur te maken van het woord? Een visie hoeft niet alomvattend te zijn. Laten we teruggaan naar Daniel Bell. Volgens hem hoefde het einde van de blauwdrukken niet het einde van idealen te betekenen. Er zou altijd behoefte blijven bestaan aan een visie: een definiëring van een doel en de weg daarheen.

Dit betekent iets anders dan ‘het huis op orde brengen’. Als dat de enige taak van politici was, hadden we net zo goed een manager als premier kunnen hebben. Van een politicus verwachten we zowel idealen voor de lange termijn als ideeën over de praktische invulling daarvan. Zeggen dat mensen die ideeën zelf maar moeten bedenken getuigt niet van liberale prudentie maar van gebrek aan leiderschap.

Rosanne Hertzberger is op vakantie