Vriendschap

In mijn vakantie las ik twee boeken over vriendschap: een oud boek, Requiem voor een vriend van J.J. Voskuil, en een nieuw boek, Iets meer dan een seizoen van Stephan Sanders. Ook al hadden deze boeken hetzelfde thema, de verschillen in de uitwerking waren aanzienlijk groter dan de overeenkomsten. Dit om de eenvoudige reden dat er ook grote verschillen tussen deze twee vriendschappen waren.

Het boek van Voskuil, dat dateert van 2002, was het enige van hem dat ik destijds niet uitgelezen had. Het was me te uitvoerig, wat vooral kwam doordat Voskuil zijn vriend te veel aan het woord liet in allerlei nogal warrige brieven en memoranda.

Ik waagde een nieuwe poging omdat het boek een misschien wel ten onrechte verwaarloosd weeskind in mijn Voskuil-collectie dreigde te worden.

Ditmaal heb ik het uitgelezen, ook al hield ik voor een deel dezelfde bezwaren als destijds. Maar wat me nu wel gaande hield, was de fascinerende, onmogelijke persoonlijkheid van deze vriend en de loyaliteit van Voskuil en zijn vrouw aan hem tot aan zijn dood. Die trouw is meteen ook hét grote verschil met de vriendschap met Anil Ramdas, zoals Sanders die beschrijft.

De vriend van Voskuil heet in het boek Jan Breugelman, maar was in werkelijkheid Jan Bruggeman, historicus, ambtenaar bij Buitenlandse Zaken en korte tijd Tweede Kamerlid voor de VVD. Zij kenden elkaar uit hun schoolperiode en bleven hun hele leven bevriend, zij het met diepe dalen. In politiek opzicht raakten ze steeds verder van elkaar verwijderd: Breugelman werd nog rechtser, Voskuil bleef links. Breugelman geloofde vurig in de individuele vrijheid en de vrije wil, Voskuil vond de speelruimte van het individu marginaal.

Hun verwantschap was aanvankelijk groot. „We zijn allebei bang om volwassen te worden”, schrijft Voskuil hem, „[…] Het liefst zouden we allebei altijd student blijven […]”. Als ze tegen wil en dank toch werk vinden, groeien ze uit elkaar, zozeer zelfs dat Voskuil moet constateren „dat alles wat zijn [Breugelmans] vriendschap vroeger waardevol maakte, verdwenen was.”

Toch bleven ze elkaar opzoeken en schrijven. Je kunt merken dat Voskuil en zijn vrouw zich begaan voelen met het lot van de depressieve Breugelman, die geestelijk steeds verder aftakelt. Ze blijven hem tot aan het bittere einde in het verpleeghuis trouw.

Dat frappeerde en bekoorde me, ook omdat ik kort ervoor Sanders’ boek over Ramdas had gelezen. Ook zij waren aanvankelijk dikke vrienden, maar ze groeiden uit elkaar en het kwam nooit meer helemaal goed. De politieke verschillen (Ramdas links, Sanders min of meer rechts) sloegen een diep wak in hun vriendschap. Ramdas raakte steeds meer teleurgesteld in het rechtser wordende Nederland en uiteindelijk vermoedelijk ook in zichzelf.

Sanders veronachtzaamt zijn vriend in diens crisis. Naar aanleiding van Ramdas’ zelfmoord schrijft hij: „Anil heeft die gepleegd, niet ik. Maar ik had hem kunnen verleiden tot leven. Het was me gelukt, als ik meer moeite had gedaan. Noem het megalomaan, maar het was me gelukt, met meer aandacht, meer steun, meer liefde.”

Geen gering zelfverwijt. Waarom kon hij niet opbrengen wat Voskuil wel kon? Ik vermoed omdat Voskuil en Breugelman in de beste jaren van hun vriendschap dichter bij elkaar stonden dan Sanders en Ramdas, tussen wie je als lezer toch altijd rivaliteit en ongemakkelijkheid (vooral bij Sanders) voelt.