Verlangen naar een hazelworm

Dit weekend wordt de shortlist bekendgemaakt voor de eerste Jan Wolkers Prijs. Daarmee krijgen literaire natuurboeken eindelijk een plaats in de Nederlandse letteren. Wat opvalt is dat engagement in alle ingezonden boeken ver te zoeken is.

Grutto in natuurgebied Eemnes foto rien zilvold

Het is een gouden idee, de Jan Wolkers Prijs voor het beste natuurboek. Aan Jan Wolkers komt de eer toe niet alleen de meest amoureuze romans geschreven te hebben, denk aan de beduimelde bladzijden in Turks Fruit, met zijn Dagboeken en De achtertuin geeft hij ook de natuur een plaats in de Nederlandse letteren.

Sinds het radioprogramma Vroege Vogels de prijs voor het beste natuurboek bekendmaakte, is de respons overweldigend. Meer dan 180 boeken zijn ter bekroning ingezonden, waarbij elk genre is vertegenwoordigd, rijp en groen. Van kinderboek tot natuurpoëzie, van standaardwerken over wilde bijen, het Fochteloërveen, het Groene Woud en Texel. Er zit een loflied bij op de wielewaal en een boek over het verlangen naar hazelwormen. Roofvogels, onkruid en beroemde dode huismussen dingen mee, boeken over chimpansees, wildernis, tuinieren en een compendium over dieren als cultuurdragers.

Met de Jan Wolkers Prijs krijgen natuurboeken de plaats in de letteren die ze verdienen. Grote natuurschrijvers in ons land, onder wie Jac. P. Thijsse, A.B. Wigman of Niko Tinbergen, om maar enkele namen te noemen, zoeken we tevergeefs in de officiële literatuurgeschiedenissen. Daar komt nu verandering in.

Jan Wolkers over natuur is onweerstaanbaar: hij vergelijkt slanke, ranke berkenbomen met de ‘benen van een prima ballerina’ waarvan een zwam als de berkendoder ‘gaat watertanden’. Die zwam groeit namelijk op die blanke benen van de berk. Wolkers zette zich ook in voor natuurbehoud en toonde diep verdriet als hij de vernietiging van de Nederlandse natuur aanschouwde.

Na lezing van de twintig boeken op de longlist, een stapel machtig als een eik, valt op dat wolkeriaanse erotiek afwezig is. Er is één uitzondering, in het boek over de Nederlandse wilde bijen. Er zijn namelijk bloemen, zoals de orchidee, die doen alsof ze volop nectar bezitten, maar dat is schijn. In de taal van imkers heet dit ‘seksuele deceptie’. De bij zoekt dus vergeefs diep in de bloemkelk naar dat zoete.

Wat is de trend, de stand van zaken in deze lijst van non-fictie over de natuur? Het is allereerst een mooie bijkomstigheid dat het brievenboek van Jac. P. Thijsse, Wanhoop nooit aan vooruitgang, op de lijst staat. Met deze brieven toont Thijsse eens te meer dat hij het fundament vormt van de natuurschrijverij. Jans weduwe Karina Wolkers zegt desgevraagd dat „Thijsse van grote invloed is op het schrijven van Jan”. Hij leerde van hem ‘persoonlijk’ te zijn en ‘origineel’ in zijn observaties. Dat zijn voor Karina Wolkers de voorwaarden voor een prijswinnend natuurboek: „Goed geschreven, authentiek, oorspronkelijk.”

Hoewel de prijs is voorbehouden aan non-fictie, gaat er één titel over die grens heen, het jeugdboek Spinder van Simon van der Geest. Hier verdedigt een jongen, Hidde, zijn geliefde rijk van insecten tegen zijn moordlustige broer. Hij voert ‘oorlog’ om het leven van de dieren te behouden die hem troost en geluk bieden in de boze buitenwereld.

Hiddes inlevend beschreven gevecht is vergelijkbaar met de strijd die Laurens de Groot voert tegen de gruwelijke praktijken van Japanse walvisjagers in de zuidelijke ijszeeën. In ferme taal doet hij hiervan verslag in Jacht op de grote jagers. Mijn jaren bij Sea Shepherd. Zijn inzet is hoog: hij wil de wereld beschermen tegen de ‘zucht tot verwoesting’ van de mens. Deze bezorgdheid is betrekkelijk zeldzaam in deze heuvelrug aan boeken. Voor veel schrijvers is de natuur eerder aanleiding om de blik naar binnen te richten, naar eigen en vaak impressionistisch genoteerde natuurervaringen. Bij Wolkers en Thijsse is dat anders. Zij komen met volle overtuiging en harstocht op voor natuurbehoud.

Weinig engagement dus. Er is nauwelijks een natuurschrijver die zijn verontrusting of woede uit, met uitzondering van strijder De Groot en roofvogelkenner Rob Bijlsma. Met Mijn roofvogels schreef die laatste een ongekend rijkgeschakeerd boek. Zijn kennis van de vogelwereld en van de natuur in de weidse betekenis van het woord is verbluffend; hij kan schitterend schrijven en schuwt de polemiek niet.

Bijlsma verwijt de zogenaamde natuurbeschermers dat ze vanuit hun kantoorstoel de natuur in dit land bestieren, zonder het veld in te trekken. Daardoor richten ze veel schade aan, zoals deze observatie in de ‘Verklarende woordenlijst’ aantoont: ‘Natuurcompensatie: slimmigheidje om het vernielen van bestaande natuur goed te praten.’ Of ‘Nieuwe natuur: natuur door huidige mode voorgeschreven’. Als er één boek is dat door zijn veelzijdigheid in stijl, kennis en traditie Thijsse en Wolkers evenaart, dan is dat Mijn roofvogels. Na lezing wil je zelf de natuur in, vogels kijken, hun gedrag waarnemen.

Aan de andere kant van het spectrum staan auteurs met een meer beschouwelijke inslag. Op liefdevolle wijze beschrijven zij hun passie voor de wielewaal, zoals cabaretier Hans Dorrestijn in Dudeljo! Of voor de hazelworm, zoals Koos van Zomeren met Het verlangen naar hazelworm. Dorrestijn maakt ons deelgenoot van zijn spieden hoog in de boomkruinen naar deze schuwe, felgeel en zwarte boszanger. En Van Zomeren doorkruist de Veluwe op zoek naar hazelwormen; hij legt planken neer in de hoop dat deze slangachtige dieren, in wezen pootloze hagedissen, zich eronder schuil houden.

Maar de reikwijdte is beperkt, deze boeken hebben iets kleins. Je zou ook kunnen zeggen: het is een intimistische natuurschrijfkunst, sympathiek en ongevaarlijk. Dat geldt ook voor De Steigerberg van oud-politicus Marcel van Dam die een verwilderd landgoed op de Veluwe transformeert tot een gecultiveerde tuin. Net als Bram van de Klundert in Expeditie Wildernis hervindt Van Dam ‘zichzelf’ in een nieuw leven, dat hij leidt in samenhang met de natuur als beschutte tuin ver weg van de hectische wereld. Natuur als vlucht uit de wereld. Natuur als een snoepjesachtige therapie.

Maar is natuur daarvoor bedoeld, is een natuurboek daartoe bestemd? Dan reikt Frans de Waal met zijn studie De bonobo en de tien geboden verder. Hij richt zijn waarnemen en denken op een boeiend biologisch vraagstuk: in hoeverre compassie voorkomt bij dieren? Op fascinerende wijze trekt De Waal lijnen tussen christelijke moraal, evolutietheorie en diergedrag. Deze visie is in wetenschappelijke kringen lange tijd omstreden geweest. Wetenschappers zijn conservatief en tergend bang voor nieuwe ontwikkelingen.

Net als Bijlsma haalt De Waal op polemische wijze fel uit. Niet omdat hij zozeer zijn gelijk wil halen maar om misstanden in het denken over de natuur tegen te gaan. Mooi beschrijft hij het beslissende moment van inzicht in compassie bij dieren dat hij halverwege de jaren zeventig heeft ervaren, dat ‘chimpansees het na een ruzie weer bijleggen door hun tegenstanders met een kus te omhelzen.’

De mooiste natuurboeken zijn de veelzijdigste. Die waarin verwondering en onderzoek, visie, kennis en bezorgdheid samengaan. En, het belangrijkste van al, waarin de natuur inspireert tot literaire allure. Mochten de brieven van Jac. P. Thijsse zelf hors concours zijn, dan kom ik uit bij een vijfspan van Mijn roofvogels, Spinder, De bonobo en de tien geboden, De Nederlandse bijen en Jacht op de jagers. Uit dat laatste boek de zin die alles samenvat over het ‘wereldwonder van de natuur’: ‘De schittering van opvliegende sneeuwkristallen geeft het enorme ijsplateau een fonkelende diamanten kroon.’