Syrië is al lang een Chinees probleem

Olie. Een van de argumenten tegen een door Amerika geleide militaire actie in Syrië is een stijging van de olieprijs. De Chinese onderminister van Financiën Zhu Guangyao zei gisteren, aan de vooravond van de G20 in Sint- Petersburg, dat de wereldeconomie schade zou oplopen als de koers van ruwe olie door de actie omhoog zou schieten. Maar is dat wel zo, en zouden de VS zich daar wat van aan moeten trekken?

Syrië zelf was al een kleine olieproducent. De Amerikaanse zakenbank Goldman Sachs wees er deze week op dat de Syrische productie, die vóór de burgeroorlog al een bescheiden 385.000 vaten per dag bedroeg, nu nog maar 45.000 vaten is. Dat is, omgerekend, een half promille van de dagelijkse wereldwijde productie. De impact van de oorlog in Libië was wat dat betreft al veel groter: de productie van een miljoen vaten per dag viel terug naar een half miljoen nu; wat het land kan verlaten en op de wereldmarkt terechtkomt, is ergens tussen de 100.000 en 150.000 vaten.

Maar goed, in een markt waar de marge tussen productie en consumptie zeer klein is, kan zelfs een geringe wijziging in het aanbod al grote invloed hebben op de prijs. En vlak de handel op de financiële markten niet uit, die daar weer op anticipeert en de prijsbewegingen tijdelijk uitvergroot. Brent-olie voor levering over een maand schoot van 108 dollar per vat begin augustus naar 115 nu. Brent is de leidende prijs voor de wereldwijde oliemarkt – behalve voor de VS. De prijs van West Texas Intermediate, de Amerikaanse olievariant, ging slechts van 105 dollar naar 108 dollar. En dat is vooral omdat een aantal voor onderhoud gesloten raffinaderijen, weer ‘online’ kwam. De opgezwollen olievoorraden dalen nu weer bij het olieknooppunt in Cushing, Oklahoma. En dat ligt best ver van Damascus.

Een mogelijke prijsstijging van ruwe olie door militaire acties in Syrië is dus wel een Chinees probleem, maar niet zozeer een Amerikaans. Zie hier een glimp van de nieuwe wereld die we tegemoet gaan door de revolutie in de olie- en gaswinning die in de VS is begonnen. De winning van schaliegas en in toenemende mate schalie-olie kan er voor zorgen dat Amerika in de eerstvolgende jaren zijn handelstekort op de energiemarkt wegwerkt. ING wijst er in een nieuwe analyse over schaliegas wel op dat volledige Amerikaanse onafhankelijkheid nog wat verder weg is. De VS produceren vooral lichte varianten van ruwe olie, terwijl veel raffinaderijen zijn ingesteld op zwaardere olie die traditioneel uit de Arabische wereld komt. Er zal, zelfs als er een handelsoverschot ontstaat, voorlopig nog behoefte blijven aan olie uit het Midden-Oosten – hoewel Canadese teerzandolie voor deze raffinaderijen ook geschikt is.

Wat bindt Amerika in de toekomst dan nog aan het Midden-Oosten? Israël, uiteraard. Het bestrijden van terrorisme op de plek waar het begint, wellicht. En het vage begrip om als supermacht de stabiliteit in de wereld te bewaken. Maar olie? De VS, merkt ING op, zijn nu al de grootste olieproducent na Saoedi-Arabië en Rusland. Staten als Texas en Noord-Dakota produceren even veel als middelgrote OPEC-landen.

De opmerking van Zhu zegt dan ook vooral veel over China zelf. Hoe lang kan dat zich nog permitteren om in dit soort kwesties aan de zijlijn te blijven in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties? En, niet onbelangrijk: zouden we het wel fijn vinden als het daadwerkelijk gehoor gaf aan de oproep meer verantwoordelijkheid te nemen? Tijd voor een Amerikaans gezegde: wees voorzichtig met wat je wenst.

Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in dezecolumn over economische ontwikkelingen.