Regel dan wel goede opvang van kinderen

Het is dikwijls maar beter om te zeggen waar het op staat en minister Asscher (Sociale Zaken, PvdA) doet dat ook: „De regering vraagt van ouders een bijdrage om de overheidsfinanciën op orde te krijgen, in het bijzonder van ouders die relatief draagkrachtig zijn.”

Deze passage staat in het wetsvoorstel over de hervorming van kindregelingen, dat hij dinsdag naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Er gaat straks structureel 810 miljoen euro minder belastinggeld naar deze regelingen, op een totaal aan jaarlijkse uitgaven van 10 miljard. Er blijft dus ook nog een hoop wel te besteden.

De bezuiniging treft vooral de kinderbijslag. Alle ouders met kinderen onder de achttien, ruim twee miljoen huishoudens, zullen dat vanaf 2015 of later, als hun kind ouder wordt, merken. De kinderbijslag levert met 646 miljoen de grootste bijdrage aan de poging om de overheidsfinanciën (enigszins) in balans te krijgen.

Het kabinet heeft de politieke keuze gemaakt om de kinderbijslag, vanouds een ‘volksverzekering’, inkomensonafhankelijk te houden. Zoals de AOW garandeert dat de Rijksoverheid iedere oudere eenzelfde minimuminkomen biedt, zo is ook iedere ouder van een vaststaand bedrag verzekerd, bij wijze van maatschappelijke bijdrage in de kosten van kinderen.

Dat is een verstandige keuze; zulke regelingen blijven wel zo helder en uitvoerbaar als ze niet voor nivellering worden gebruikt. Voor verkleining van inkomensverschillen is het belastingstelsel meer geschikt. De kindregelingen die daarin voorkomen, voorzien in hogere tegemoetkomingen aan lagere inkomens. Waarbij het aantal kindregelingen wel teruggaat van (maar liefst) elf naar vier. In dat moeras van regelingen deden zich effecten voor die dan moeilijk te voorkomen zijn: ze overlapten elkaar of werkten elkaar soms tegen.

Het stelsel van kindregelingen was dus aan vereenvoudiging toe. Een treurig negatief effect nu is dat alleenstaande ouders die van een uitkering naar een betaalde baan overstappen er soms wel 1.000 euro per jaar op achteruitgaan. Zij zijn in het nieuwe stelsel de enige ‘winnaars’: werken gaat lonen, en zo hoort het ook. Maar werken of meer werken moet ook kúnnen. Het treft slecht dat dit soort participatie bevorderende maatregelen gewoonlijk wordt genomen als de werkloosheid stijgt. Toch is opvallend dat het aantal werkende alleenstaande ouders in 2011 naar ruim 48 procent was gestegen; zij waren er kennelijk in geslaagd om voldoende kinderopvang te regelen. Maar dat is niet iedereen gegeven.

Dat is dan ook een volgende vraag en daarop geeft dit wetsvoorstel geen antwoord. Het laat de regeling voor kinderopvang weliswaar intact, maar dat laat onverlet dat de combinatie van werk en tegelijk kinderen opvoeden nu een maatschappelijk probleem is dat om een maatschappelijke en dus politieke oplossing vraagt.